“Mijn
perspectief houdt in om de mens- en sociale
wetenschappen te verschuiven van
wetenschappelijke naar ethico-esthetische
paradigmata” (C 10/ DÖ 26).
Daartoe
situeer ik Guattari’s werk tegen de achtergrond
van het werk van andere differentiedenkers, met
name Deleuze en Foucault, met hier en daar een
verwijzing naar Derrida en Lyotard. Als opmaat
zet ik enkele vraagtekens bij Guattari’s gebruik
van de notie ‘paradigma’. (1) Deze wordt in mijn
ogen soms iets te gemakkelijk gehanteerd en
suggereert teveel structurele samenhang en
hanteerbaarheid die deze juist door Guattari’s
micropolitieke analyses worden ontkracht. Vanuit
de herformulering ‘dispositief’ die zijn
paradigma-notie meer recht doet - en die
bovendien de verbeeldingskracht, die voor een
concretisering vereist is, meer ruimte biedt –
radicaliseer ik in deel 1 Guattari’s opvatting
van de kwaliteit ‘esthetisch’ door deze op zijn
eigen inzichten en werkwijze toe te passen: zijn
paradigma, meta-modellisatie en schriftuurlijke
presentatie. (2) Daarna richt ik me op
Guattari’s inhoudelijk-historische onderbouwing
van deze esthetische dimensie (3) en gebruik ik
zijn letterlijke ‘denkbeelden’ om meer zicht te
krijgen op een hedendaagse esthetisering. (4)
Deze reikt mijns inziens verder dan hij doet
voorkomen. In deel 2 richt ik me op de
toevoeging ‘ethico’ en worden de sociale en
mentale dimensies van zijn ecologiebegrip
geanalyseerd. Ik probeer Guattari’s inzichten
door te denken. Daartoe verhelder ik summier de
relaties tussen esthetiek en ethiek in het licht
van de filosofische traditie en worden
dispositie en affectiviteit met elkaar in
verband gebracht. (5) Ten slotte exploreer ik
aan de hand van een tweetal Guattariaanse
begrippen-paren - ‘inhoud-expressie’ en
‘virtueel/actueel’ – de ethico-esthetische
dimensie op existentieel vlak (6) en keer ik
terug naar het centrale thema: subjectivering
als zelfreferentiële bestaansgrond. (7)
G
U A T T A R I H E R D E N K E N
1 – Paradigma: van epistèmè naar dispositief –
Wat is een paradigma? Thomas Kuhn gebruikt de
term in zijn boek De structuur van
wetenschappelijke revoluties (1962) om een
grondstructuur aan te duiden waarnaar
natuurwetenschappelijk onderzoek en
theorievorming zich richten. Het paradigma
structureert en oriënteert in een bepaalde
periode het natuurwetenschappelijke waarnemen en
handelen. Het produceert wetenschappelijke
subjectiviteit: alleen als de wetenschapper het
zo ziet en ernaar handelt, wordt hij
wetenschappelijk voor vol aangezien. Door de
eeuwen heen hebben zich transformaties
voorgedaan die aan namen als Galilei, Newton en
Einstein zijn verbonden. Paradigma is een
sciëntistisch begrip. Maar Guattari houdt zich,
ook al maakt hij enkele uitstapjes naar de
biologie, niet met natuurwetenschappen bezig.
Hoewel hij een duidelijke grens tussen natuur-
en geesteswetenschappen niet erkend, zou je
kunnen stellen dat zijn denken zich eerder
binnen de mens- en sociale wetenschappen
beweegt, met name de psychologie, psychiatrie en
psychoanalyse. Zijn kritiek richt zich op het
sciëntistisch gehalte van deze wetenschappen:
hij verwerpt expliciet “sciëntistische
referenties en metaforen” (DÖ 26) en beoogt
vanuit een analyse en uitwerking van
menswetenschappelijke dilemma’s uit de jaren
zestig een transformatie van
menswetenschappelijke naar ethico-esthetische
paradigmata. Maar kun je een paradigma, waarin
denken, waarnemen en handelen - subjectiviteit -
‘onbewust’ wordt gevormd naar je hand zetten en
veranderen? Kun je ervoor kiezen anders te
denken, kijken en willen? Kun je op je handen
gaan staan en jezelf optillen? Dicht Guattari
zich deze goddelijke verlichting en
scheppingskracht toe of bedoelt hij wellicht
iets anders?
a. epistèmè: grondst ructuur van de kennis
Foucaults analyse in De woorden en de dingen
(1966) met de ondertitel “de geboorte van de
menswetenschappen” laat zien hoe de
menswetenschappelijk ‘paradigmata’, die we
volgens hem achter ons hebben gelaten, zijn
ontstaan. Foucault gaat dan nog impliciet uit
van structuralistische inzichten. Samenhangende
historische kennisstructuren over de mens worden
vanuit een kentheoretische optiek geanalyseerd:
hoe hebben wetenschappers ‘de’ mens gedacht? Het
probleem dat Kuhn niet aansnijdt, is zijn eigen
paradigmatisch bepaalde blik: Kuhn suggereert
dat hij een distantie kan innemen die zijn
analyse een objectief ‘wetenschappelijk’
karakter verleent. Foucault meent echter dat een
onderzoek naar kenstructuren altijd deze blinde
vlek moet accepteren. Je zou kunnen stellen dat
hij Kuhns paradigma verder uitgraaft: welke
kenstructuren over de mens hebben
paradigmatische kennis over de wereld mogelijk
gemaakt? Deze dieptestructuren noemt Foucault -
met de Griekse term voor kennis – ‘epistèmè’s’.
Een epistemische dieptestructuur treedt pas aan
het licht als vele diverse vormen van weten
(savoir) - ‘discoursen’ of vertogen - uit een
bepaalde periode achteraf op hun samenhang
worden getoetst. Als een archeoloog van de
kennis (re)construeert Foucault historisch
bepaalde zienswijzen op de menselijke essentie.
Na het eind van de Verlichting rond 1800 vormt
dit weten het complex van menswetenschappen:
‘de’ mens wordt na de Franse Revolutie een
autonoom handelend en rationeel wikkend en
wegend subject. Tot in de jaren vijftig van deze
eeuw vormen deze menswetenschappelijke vertogen
het referentiekader voor zelfkennis en
-reflectie van moderne individuen. In de jaren
zestig komt deze kennis echter onder druk te
staan. De antipsychiatrie is slechts een van de
uitingen van deze kritiek. In deze periode
formuleert Foucault evenals Deleuze-Guattari,
Lyotard en Derrida de contouren van een radicale
subjectkritiek. Wat Guattari onder ‘paradigma’
verstaat, vertoont overeenkomsten met Foucaults
‘episteme’. Maar Guattari kan het nooit zo
totalistisch en statisch hebben bedoeld: daarmee
zou hij de transhistorische en universaliserende
pretenties van het structuralisme bevestigen die
hij juist in het Lacaniaanse gedachtegoed
afwees. De kritiek die ook Foucaults
episteme-notie juist op dit punt over zich
afriep, moet daarom in Guattari’s
paradigma-notie worden verdisconteerd.
b. dispositief : dynamisch netwerk van kennis en
macht
Mikpunt van de kritiek is het statische,
a-politieke karakter van Foucaults
episteme-begrip. Hij verlegt mede daardoor rond
1970 zijn aandacht naar de praktische
doorwerkingen van menswetenschappelijke
vertogen. Zo komt de daadwerkelijke productie
van subjectiviteit in beeld: in de identificatie
met en belichaming van menswetenschappelijke
vertogen in gezin, school, psychiatrische
kliniek en gevangenis worden, gelegitimeerd door
Grote Verhalen over emancipatie en bewustwording
en met de oprechte, humane intentie psychisch en
sociaal lijden te reduceren, nietverlichte –
onvolwassen, zieke of deviante - individuen tot
rechtschapen, productieve burgers
gedisciplineerd. Deze wisselwerkingen tussen
kennisvormen en machtswerkingen in
maatschappelijke praktijken is ook Guattari’s
kritische doelwit:
“Vanaf
nu zullen deze modellen tegelijk met andere
slechts beschouwd worden in termen van product
ie van subjectiviteit 3 – net zo min te scheiden
van het technisch en institutionele apparaat dat
hen promoot als van hun impact op psychiatrie,
universitair onderwijs of de massamedia” (C 10).
Productie,
consumptie
en medium vormen één complexe dynamiek. Ze zijn
slechts gekunsteld te scheiden.
Menswetenschappen zijn geen waardevrije
theorieën, het zijn praktijken:
menswetenschappelijke kennis is onlosmakelijk
verbonden met de disciplinerende (be)werkingen
die voor hun codificering als theorie
noodzakelijk zijn. Zo is psychologische of
psychoanalytische kennis niet het resultaat van
een objectief onderzoek, maar een
handelingsperspectief en zingevingstructuur
binnen therapeutische praktijken waarin
afwijkend gedrag wordt gedisciplineerd en
genormaliseerd. Maat-schappelijke normen zijn
het onuitgesproken criterium. De vermeende
objectiviteit van deze kennis is (micro)politiek
gepredisponeerd. Meer dan
natuurwetenschappelijke kennis is
menswetenschappelijke kennis zelf-reflexief. De
vraag “wie psychologiseert de psycholoog?”
ondermijnt de objectiviteit ervan: de kennis
oscilleert tussen object (onderzoeksonderwerp)
en subject (wetenschapper). In het werk in de
jaren zeventig – waarin Foucault evenals
Guattari met Deleuze samenwerkt4 - benadrukt
Foucault steeds meer de dynamiek tussen deze
vertogen en de normaliserende maatschappelijke
praktijken. Idealiter komt norm-aliteit op de
volgende norm neer: “de menselijke, westerse,
redelijke, blanke, volwassen, gezonde,
rechtschapen, werkende, heteroseksuele,
getrouwde, monogame, kinderen producerende man”
5. Alles wat daarbuiten valt, kende tot voor
kort - door het ontbreken van een positief
vertoog en eigen geschiedenis - geen
subjectiviteit: zeehonden, gastarbeiders,
gekken, zwarten en vrouwen. De dynamische
grondstructuur van deze subjectproductie noemt
Foucault niet langer ‘epistèmè’, maar
‘dispositief’: een complex van structurerende en
oriënterende (be)werkingen door
menswetenschappelijke vertogen van verlangens,
gedragingen en intenties van individuen en
groepen die door belichaming van deze theorieën
een identiteit krijgen aangemeten. Door deze
inzichten te leven worden ze onvermijdelijk
gefalsificeerd: de onleefbaarheid van het denken
correspondeert met de ondenkbaarheid van het
leven. In De wil tot weten (1976) stelt Foucault
dat een dispositief
“geen
onderliggende
werkelijkheid is waarop men moeizaam greep zou
krijgen, maar een groot oppervlakte netwerk
waarin de stimulering van lichamen, de
verheviging van de lusten, de prikkeling tot
vertogen, de vorming van specifieke kennis en de
versterking van allerlei vormen van toezicht en
verzet in overeenstemming met enkele grote
strategieën van weten en macht aan elkaar zijn
geschakeld”.6
Dispositief
is
niet een nog onontdekte laag in de cultuur, maar
‘een groot oppervlaktenetwerk’. Subjectiviteit
wordt niet ontdekt, maar telkens weer opnieuw
uitgevonden. Het is geen dieptestructuur, maar –
om een term van Deleuze-Guattari te gebruiken -
een transversale dynamiek, waarvan de uitkomst –
subject - immanent is aan door machtswerkingen
in lichamen ingeschreven vertogen: (be)werkingen
van mede-delingen. De historische uitwerking van
dit proces is niet van tevoren gegeven – als een
potentie die nog verwerkelijkt moet worden -,
maar kan wel achteraf in zijn dan inmiddels
onvermijdelijke ontwikkeling worden doordacht.
Terugkijkend is het subject als gefixeerd en
gefingeerd eindpunt weliswaar onvermijdelijk,
als actueel proces – subjectivering – is het een
complex van (be)werkingen waarin voortdurend
verschuivingen plaatsvinden. Dit proces verdicht
zich in en door een historische zelfreflectie:
het krijgt daardoor coherentie, consistentie en
continuïteit. "We worden niet geconfronteerd met
een subjectiviteit als in zichzelf gegeven, maar
met een proces van verwerkelijking van autonomie
of met autopoësis"(C 7) Zonder een
ontstaansgeschiedenis blijkt het moderne
subject, hoe universeel en algemeen ook
gepresenteerd, slechts een oneigen-tijdse
stroming waarin ‘iets’ voordurend verplaatst en
verandert en waarin de tijd - om met Deleuze en
Derrida te spreken - ‘out of joint’ is. Dit
‘iets’ vergt altijd ‘autopoësis’: zelfbewerking
om samenhang te scheppen. In retrospectief
blijkt de samenhang van de geschiedenis de
bestaansgrond van de moderne subjectiviteit.
2 – Dispositief en schriftuur :
esthetische strategieën –
Guattari omschrijft paradigma als “een
cartografie voor subjectiveringspraktijken” (DÖ
26). Sprekend over de media, kwalificeert hij
deze weer als “een dispositief om subjectiviteit
te produceren” (DÖ 21/74). Moeten we hieruit
concluderen dat een dispositief een functie van
een paradigma is? Zijn er meerdere tegelijk? En
kun je met het paradigma dan ook een dispositief
veranderen? Hoe het ook zij, Guattari trekt wel
de uiterste consequentie uit het inzicht dat
kennis een praktijk is en de inzet van een
‘theoretisch’ model subjectiviteit creëert.
Evenals andere differentiedenkers beseft hij dat
zowel De Mens als De Geschiedenis discursieve
uitvindingen of vertoog-effecten zijn en dat
deze elke keer weer vanuit een geproblematiseerd
heden wordt gerecreëerd en herschreven.
Nietzsches kentheoretisch nihilisme
onderschrijvend meent ook hij dat de moderne
mens geschiedenis heeft gemaakt: moderne
subjecten – bij uitstek blanke mannelijke
wetenschappers, militairen, politici en
kooplieden - hebben gepoogd de materialiteit der
dingen en de loop der gebeurtenissen zo te
manipuleren dat de uitkomst haast onontkoombaar
leek. Het digitale millenniumprobleem is weer
zo’n configuratie: na het nucleaire wacht ons nu
een viraal en digitaal Armageddon. Valt dit te
veranderen, vraagt Guattari zich af. Kunnen we
keuzes maken? Biedt inzicht in onze eigen
geschiedenis genoeg afstand om anders
geschiedenis te maken? Kunnen we onszelf aan
onze paardestaart uit het moeras trekken?
Postmoderne individuen staan vanzelfsprekend
niet plotseling buiten de (moderni)tijd: ze zijn
in deze maalstroom der gebeurtenissen geworpen
en gevormd. Maar de post-moderne reflectie op de
Geschiedenis is zo radicaal geworden dat deze
met zijn vanzelfsprekendheid – het vertoog dat
in ons spreekt - zijn subjectproducerende kracht
heeft verloren. De creatieve keerzijde wordt
door Guattari benadrukt: met het
ontwerp-karakter van geschiedenissen en van
menswetenschappelijke modellen treedt tevens dat
van subjectiviteiten aan het licht. Een
laat-modern inzicht - reeds door
existentialisten als Sartre en zijnsdenkers als
Heidegger verwoord - wordt nu door Guattari, los
van iedere ideologische of negatief-theologische
bias geactualiseerd. Hij kiest zijn termen
echter onzorgvuldig en telkens klinken er
utopische echo’s op.
a. dispositief als strategische fictie
In de vermeende ‘ont-dekking’ en mede-deling van
‘hun’ historiciteit constitueren individuen zich
als subjectiviteit: zij denken hun tijd als het
culminatiepunt van hun eigen
ontstaansvoorwaarden. Slechts in het licht van
deze subjectiviteit zijn de ontstaansvoorwaarden
noodzakelijk of - zo we de tijdsfactor
verdisconteren - onvermijdelijk geworden. Maar
het had ook anders kunnen lopen. Gedacht vanuit
alle andere niet-gerealiseerde mogelijkheden –
stel dat je vader zich niet met je moeder maar
met de buurvrouw had medegedeeld? En hoeveel
andere wezens worden door jouw bestaan
uitgesloten? - zijn de beschreven (be)werkingen
willekeurig. Sterker, een dispositief komt pas
in beeld wanneer de samenhang van de
(be)werkingen – als verdichtingsvlak -
geleidelijk aan zijn greep verliest op het
handelen van subjecten: overgeleverde
categorieën boeten aan verklarende en
subjectproducerende kracht in. Ontstaat een
dispositief doordat uitwerkingen ervan – zijn
effectiviteit - in het heden worden
geproblematiseerd? Maar hoe reëel is een
dispositief dan als het geen potentiële
werkelijkheid is die retrospectief ‘ontdekt’
moet worden? Is een dispositief wellicht niet
veel meer dan een bedachte constructie, een
verzinsel van een van iedere werkelijkszin
verstoken paranoïcus? Is deze retrospectieve
zingeving - blijkbaar voortkomend uit
onuitroeibare behoefte aan autonomie en (be)grip
- niet gewoon: fictie? Evenals Foucault zal
Guattari daar tegen inbrengen dat
geschiedschrijving zonder deze onuitgesproken
fixerende en fingerende activiteit nooit enig
bestaansrecht heeft gehad en dat alleen de
politieke verabsolutering en implementering van
dit methodische inzicht tot fascisme leiden. Een
micropolitieke strategische inzet – een
esthetische strategie – maakt juist het
tegendeel van een paranoïde bezetting mogelijk:
het beaamt de verschillen en vergroot de
bewegingsvrijheid. Guattari benadrukt daartoe de
dissensus (DÖ 47/70) en ‘heterogenese’(DÖ
49/76). Hebben vertogen die in hun
vanzelfsprekendheid subjecten – sociaal en
politiek – een stem gaven, hun zeggingskracht
hebben verloren? Maar hoe kan een dispositief
verstommen? Door het zelfreflexieve gehalte van
de historische kennis over de mens verandert
elke ‘nieuwe’ geschiedschrijving zijn eigen
ontstaansgeschiedenis: in een terugblik vanuit
de nieuwe samenhang worden immers andere lijnen
en verbanden dan voorheen zichtbaar. Deze werken
weer in het heden door waardoor andere
subjectiveringen mogelijk worden. In het licht
van het opbrandende dispositief licht een andere
oriëntatie op die nog geen samenhang kent. Op
deze vluchtlijn dient zich de vraag aan naar
nieuwe waarden en normen. In Guattari’s termen
betekent dit: iedere reterritorialisering is
tevens een deterritorialisering. Of in termen
van codering: iedere recodering van de
geschiedenis bevat reeds een decodering van deze
nieuwe codering.
Een eerste betekenis van ‘esthetisch’ dient zich
op kentheoretisch en methodologische vlak aan:
het dispositief is esthetisch omdat het een
regulatieve fictie is.
b. schriftuur als schijnbeweging
Als we vervolgens de wijze waarop dit
methodologisch inzicht wordt uitgedrukt – zijn
expressie - onder de loep nemen, dient zich de
tweede betekenis van ‘esthetisch’ aan. Guattari
projecteert het in zijn schrijfwijze en
conceptualisering: in zijn schriftuur. Het
regulatief-fictieve gehalte van gangbare
verklaringsmodellen die de beschouwer dwingen
met hun bril een specifieke samenhang tussen
reeksen gebeurtenissen waar te nemen, wordt in
Guattari’s experimentele schriftuur blootgelegd.
Zijn meta-modellisatie is natuurlijk voor de
echt wetenschappelijk ingestelde lezer een
lachertje: zij getuigt, in ieder geval voor
Sokal, van een Lacaniaans bedrog zonder weerga.
Maar was het niet Deleuze die opmerkte, dat
iemand die tijdens het lezen van Nietzsches
teksten nooit had gelachen er niets van had
begrepen? Guattari voltrekt een op bestaande
theorieën steunend conceptueel experiment,
waarbij hij zich naar de maat van de kunst
voegt: zijn meta-modellisatie is eerder
letterlijk kunst-matig dan gekunsteld. Zij sluit
aan bij andere modellen, maar is ‘over the top’:
meta. Als ‘meta’model dient het “als instrument
om systemen van modellisatie in andere domeinen
te ontcijferen” (CS 27). Hij presenteert een
naar alle kanten openstaand model, doorkruist
door vluchtlijnen, dat niet pretendeert de
menselijke werkelijkheid sluitend te
representeren. Het is een voorstel tot, geen
voorstelling van werkelijk- heid.
Meta-modellisatie stemt tot na- en doordenken.
Dit ‘meta’ heeft dus een letterlijk kritische
betekenis: het brengt andere modellen die wel
pretenderen dé werkelijkheid van het menselijk
bestaan, van dé mens uitputtend en naar waarheid
in kaart te brengen, in een crisis: hun
regulatief-fictieve gehalte wordt aan de kaak
gesteld. Geheel conform zijn inzicht in de
subjectproducerende werking van de
menswetenschappen en hun theoretische modellen,
biedt Guattari zijn meta-modellisatie vervolgens
aan als een praktijk: “Het belangrijkste is niet
het eindresultaat maar het feit dat de
multicomponentiële cartografische methode
tegelijk kan bestaan met het
subjectiveringsproces "(C 13).
3 – Esthetisch: de historische rol van de kunst
-
Om het zicht op marginale
subjectiveringsprocessen van minoriteiten te
openen worden deze als (be)werkingen tegen het
licht van andere voorgeschiedenissen gehouden.
Opnieuw niets nieuws onder de zon. De vrouwen-,
homo- en milieubeweging hebben dit proces allang
achter de rug. Zij hebben zich al een
geschiedenis en vertogen toegeëigend. Er zijn
commissies, leerstoelen en levensstijlen uit
voortgekomen. Zij hebben de automobiele,
heteroseksuele man geleerd met een anders
geslepen bril naar zijn wereld te kijken. Maar
hoewel de invalshoek verschilt, zijn deze nieuwe
brillen soms nog met oud instrumentarium
geslepen. Het resultaat is gemodificeerde
menswetenschap. Guattari slijpt veelal met
esthetische middelen - schilderkunst en
literatuur: Kafka, Proust - brillen om de blik
op minoritaire subjectiveringspraktijken te
ontsluiten: het resultaat is ‘theorie-fictie’,
zoals Lyotard het eertijds noemde8, en een
hallucinerende schriftuur. Door deze twee
schijnbewegingen wordt de lezer op het goede
been gezet. Zo komt, los van de methodische blik
van maker en de werking van het medium, het
esthetische op historisch-inhoudelijke wijze in
beeld. Guattari schetst een ander verleden, de
verledens van anderen. Hij spitst allereerst het
esthetische toe op het domein waarop deze
kwaliteit doorgaans van toepassing is: de kunst.
Zo onderbouwt hij de door hem beoogde
esthetisering met grove schetsen over de plaats
die kunst in de westerse cultuur heeft
ingenomen. Daarin benadrukt hij de relatie
tussen kunstpraktijken en collectieve
subjectiveringsprocessen.
a. kunst en subjectiviteit : integrerende
representatie
Wat is de relatie tussen filosofie, wetenschap,
kunst en politiek? Het verhaal gaat dat in
tribale samenlevingen individuele identiteiten
nog een functie van een collectieve identiteit
waren. Deze wordt in rituelen waarin dat wat wij
later kunst zijn gaan noemen een
representerende, verbeeldende functie vervult,
gepraktiseerd en gereproduceerd. Deze
‘collectieve, existentiële territoria’ of
bestaansgronden van een groepsidentiteit worden
in de loop van de geschiedenis van de westerse
cultuur gede- en gereterritorrialiseerd door
transcendente overcoderingen: Logos, God, Rede,
Geest en Subject vormen achtereenvolgens
toetsstenen voor de door een collectiviteit
geleefde waarden. De integraal gepraktiseerde
waarden van een tribale collectiviteit worden
tot ‘onlichamelijke’ of ‘bewuste stelsels’.
Subjectiveringswijzen oriënteren zich in de
Griekse, Romeinse en christelijke cultuur op
bovenaardse wezens die in kunstwerken worden
voorgesteld. Via deze verbeelding en vanuit het
vertoog dat deze schraagt worden deze
voorstellingen in religieuze, politieke en
sociale praktijken geïncorporeerd. Het integrale
tribale groepsleven zet zich, naarmate de
cultuur discursiever wordt en politiek
mede-deelzamer, uiteen in autonome sferen:
godsdienst (het heilige), politiek (het goede),
kunst (het schone) en wetenschap (het ware), wat
tot gevolg heeft dat “de traditionele
interdependentie van geterritorialiseerde
waarden teloorgaat evenals het experiment, de
rituelen en de bricolage ....”(C 103). Zoals de
arbeidsdeling de vervreemding in het
maatschappelijk proces introduceert, zo raakt
het individuele bewustzijn door toenemende
interiorisering gefragmenteerd. Maar eigenlijk,
meent Guattari, stellen de verwijzingen naar een
transcendente werkelijkheid iets anders of niets
voor:
"Het
ware, goede en schone zijn 'normaliserende'
categorieën voor processen die ontsnappen aan de
logica van welomschreven klassen. Het zijn lege
referenten, zij scheppen een leegte, zij
installeren transcendentie in de relatie van
representatie"(C 29).
De
filosofie
– van Plato’s metafysica tot het systeemdenken
van het Duitse idealisme – tracht met deze
transcendenties de afzonderlijke waardenstelsels
bijeen te houden om een samenhangende
subjectiviteit te garan-deren. Kants kritische
systeem – Kritik der reinen Vernunft, Kritik der
praktischen Vernunft en Kritik der Urteilskraft
- is daarvan de meest vergaande poging. En toch
blijkt ook in Kants transcendentale kritiek
kunst in de vorm van een transcendentale
esthetiek – Kritik der Urteilskraft – nog een
brugfunctie te vervullen: het schone, meent
Kant, kan begrepen worden als een symbool van
het goede en er kan, ondanks het affectieve
karakter ervan – lust en onlust - toch nog een
smaakoordeel worden geveld: kunst verbindt
kennis zo met moreel handelen. Schelling zal na
Kant de kunst op het erepodium plaatsen. Met de
opkomst van het moderne kapitalisme versterken
de deterritorialiserende (be)werkingen van het
Geïntegreerd Wereld Kapitalisme – op het
kolonialisme en imperialisme volgt het
post-imperialistische globaliseren – de
fragmentering. Scheidingen tussen de
waardenstelsels worden voorgoed opgeheven:
waarheid en waarde worden een waar onder de
waren. Maar de warencirculatie
reterritoraliseert ook: ze standaardiseert
collectieve identiteiten. Dit geraffineerde
tweeslachtige proces maakt de massamedia tot
dragers van een op het gelijkheidsideaal
gebaseerd - en dus als democratisch te
afficheren - disciplinerend
subjectiveringsproces. (DÖ 42) De digitale media
zijn voor Guattari ten daarom hèt teken van
ultieme vervreemding: (be)werkingen van directe
mede-deling vervlakken in de beeldschermcultus.
b. Guattari in de kaart gekeken: ecosofisch
totaliteitsdenken?
Wat heeft Guattari nu inhoudelijk voor ogen met
zijn esthetisch paradigma, als het om
transformatieprocessen in het heden gaat? Zijn
kritiek op de vervlakkende (be)werkingen van de
nieuwe media geeft een indicatie:
"Het
samengaan
van informatica, telematica en het audiovisuele
zal misschien tot een beslissende stap leiden in
de richting van een interactiviteit , naar een
postmedia tijdperk en, samenhangend, tot een
versnelling van de machinieke terugkomst van
oraliteit .”(C 97)
Het
is dus heel simpel: individuen dienen zich weer
bewust te worden (zelfreflectie/opheffen
vervreemding) van hun creatieve en inventieve
kwaliteiten (esthetisch) en zich de
technologische productiemiddelen (nieuwe media)
weer toe te eigenen (postmediale
resingularisering) en eigen te maken
(autopoësis) om kleinschalige
communicatiepraktijken te ontwikkelen vanuit een
basisdemocratische instelling (ethisch-politiek)
waardoor de destructieve effecten voor het
milieu worden opgeheven (ecosofie). Voila!
“Een
nieuwe tegelijk praktische en speculatieve,
ethischpolitieke en esthetische kunst van de
ecosofie lijkt mij daarom de oude vormen van
religieuze, politieke, associatieve, enz.
verbanden dienen te vervangen.” (DÖ 74)
Maar
is
het werkelijk zo simpel? Keert dan daarmee de
collectieve bestaansvorm terug die, voordat er
sprake was van een scheiding van verschillende
culturele domeinen, het tribale
gemeenschapsleven schraagde? 9 Is een kunstmatig
neo-tribalisme onze toekomst? Een positief
antwoord zou Guattari als een crypto-marxist
behept met een nostalgisch utopisme ontmaskeren:
zijn visie op tribale samenlevingen vóór de
deling heeft dan veel weg van de
oercommunistische toestand die Marx soms
suggereert en zijn pleidooi voor een esthetische
levenspraktijk blijkt een reanimatie van Marx’
waardering voor de kunstenaar als het
exemplarische geval van een niet-vervreemde
arbeider. Met zijn oproep voor een integrale
creatieve productiviteit tegen de achtergrond
van totalististische geschiedschrijving zou
Guattari terugvallen in een hegeliaanse
megalomanie: alles komt aan het eind van de
geschiedenis weer goed en in onze tijd voltooit
de mens zijn essentie. 10
4 – Huidige esthetisering van het dagelijks
leven –
Hoewel ik de kritiek op de gedateerde
marxistische terminologie – vervreemding,
revolutie, bevrijding – die Guattari soms en
hoogst onkritisch hanteert deel, meen ik echter
dat hij met zijn subjectkritiek, zijn
methodische radicaliteit, zijn subversieve
vocabulaire en zijn expliciete stellingnamen
tegen plat marxisme (DÖ 37/44/49) deze
aantijgingen afdoende weerlegt. Iedere topologie
- bewust/voorbewust/onbewust;
reëel/imaginair/symbolisch - wordt afgewezen en
daarmee iedere hiërarchisering of ‘etayage’. Hij
denkt transversaal en situeert de
zelfreflexiviteit derhalve niet verticaal maar
veelvlakkig. Stromingen, bestaansgronden,
stelsels en fyla interacteren voortdurend. Of in
de setting van een schizo-analytische arbeid: in
de interactie tussen het individu (Freud), de
sociologische groep (Marx), het sociale fenomeen
(Durkheim) en een pre-persoonlijke krachtenveld
(Nietzsche) - en dus niet vanuit een
totalistische overdeterminatie - vindt
subjectivering plaats:
"Deze
autopoetisch knoop in de machine is wat deze
scheidt en onderscheidt van structuur en deze
waarde geeft. Structuur impliceert feedback
loops, het brengt een totaliseringsconcept in
het spel dat het zelf wil beheersen. (....) Het
wordt bespookt door een verlangen naar
oneindigheid" (C 37).
Het
‘dispositief’
is dus niet totalistisch: het biedt juist ruimte
aan verschillen en dissensus. Hoewel ik zijn
inschatting van het resingulariseringspotentieel
van de massa- en nieuwe media nogal overtrokken
vindt – het ‘misschien’ (C 97) geeft ook
Guattari’s twijfel aan - onderschrijf ik wel
zijn inzicht dat het postmoderne samen-leven
vergaand esthetisch ‘gedispositioneerd’ is. Ik
meen zelfs dat de esthetisering waar hij op
doelt zich aftekent tegen een esthetisch
dispositief dat al veel langer en ingrijpender
het collectieve bewustzijn heeft bepaald dan hij
met zijn pleidooi voor een creatieve
productiviteit suggereert. Onze op visualiteit
gerichte, ‘nihilistische’ cultuur neemt
ogenschijnlijk niets meer voor waar, maar valt
en staat bij waarneming. Het esthetische is
bovendien niet alleen een kwaliteit van onze
door media gedomineerde beeldcultuur en door
visuele technologieën bepaalde wetenschap en
veiligheids- en transportsystemen, maar ook de
uitkomst van een met de moderniteit samenhangend
waardenrelativisme. Postmoderne subjectivering
zou wel eens het resultaat kunnen zijn van een
esthetisch dispositief dat sinds kort aan
zeggingskracht inboet. Om deze bewering meer
draagkracht te geven wil ik het begrip
‘esthetisch’ verder toespitsen. Vanaf nu probeer
ik Guattari slinks en averechts te passeren. Ik
neem zijn poging om “sporen en symptomen die
heden ten dage manifest worden”(C 105) aan te
duiden evenwel uiterst serieus.
a. (voor ) waar/nemen: beeldschermcultuur
Op het eerste gezicht staat bij het esthetische
de beeldcultuur centraal: uiterlijke
manifestaties van kunst in informatieve,
educatieve en commerciële zin. Maar het
waarnemingsdispositief bewerkt ook het
privéleven – hebbedingetjes, design,
binnenhuisarchitectuur – en de openbare ruimte.
Het bepaalt tevens onze omgang met
beeldschermen. Het effectueert ten slotte het
kentheoretisch waardenrelativisme, dat – en hier
haakt Guattari in - postmoderne individuen aan
hun eigen levensontwerp overlevert.11 In de
meest oppervlakkige zin is kunst als
institutionele praktijk de laatste twee decennia
door intensieve mediabemoeienissen voor velen
een toegankelijker domein geworden: kunstenaars,
kunsttheoretici en museumdirecteuren
manifesteren zich voortdurend in de telecultuur.
Programma’s over kunstwerken en kunstdebatten
zijn niet meer van het beeldscherm weg te
branden. In de economische sfeer is kunst meer
dan een investeringsobject geworden: ze dient
tot corporate image building of resulteert in
uiterst vernuftige en intelligente reclameleuzen
en -spots. Mode, architectuur, al dan niet
commerciële (ver)beelding van de openbare
ruimten voegen zich in een designcultuur die
naast de huiselijke sfeer ook de nieuwe media
met zijn websites beheerst. Het publieke domein
stopt niet bij de voordeur, maar zet zich in de
huiskamer voort via de vele media: telefoon, tv,
fax, e-mail. Massamedia bieden lijfstyles aan en
popcultuur voedt op. Zo beheerst het esthetische
het merendeel van publieke interacties: Dasein
is Design. De in transport- en
communicatiemiddelen geïntegreerde technologie –
van g.s.m.etje tot email – is een even
vanzelfsprekende als onzichtbare kracht in onze
dagelijkse werkelijkheid. Medische technologie
bezet ons innerlijk – pacemakers –, keert dit
binnenste buiten – scanning - en beïnvloedt de
fysieke identiteit door genetische manipulatie.
Virtual reality is allang meer dan een flight
simulator. Onze identiteit is met een druk op de
knop te visualiseren en lijkt even oppervlakkig
als het beeldscherm. Dat het
waarnemingsdispositief disciplinerend werkt,
wordt slechts expliciet in de securitycultuur:
de openbare orde in (semi)openbare en
privéruimten wordt telematisch gegarandeerd.
Echte camera’s zijn niet meer van fake te
onderscheiden, wat eens te meer het doelwit van
subjectivering aangeeft: een onbeslisbare zone
tussen het waarnemen en voor waar nemen. Kortom,
niet alleen het sociale bewustzijn wordt door
een waarnemingsdispositief gereguleerd, ook het
zelfbewustzijn en onze fysieke identiteit tot in
zijn DNA-structuren. Een scheiding tussen
publiek en persoonlijk, tussen lichaam en geest
bestaat niet langer: het esthetische dispositief
(be)werkt hoogstens nog via deze
segmentatielijnen. Door deze kunstmatige
opposities wordt het onbeslisbare midden tussen
waarnemen en voor waar nemen aan de blik
onttrokken.
b. waardenrelativisme: “Bekijk ’t maar!”?
In cultuurkritisch opzicht krijgt de
disciplinerende esthetisering van het dagelijkse
leven haar contouren tegen de achtergrond van
een letterlijke oplossing van de hoogste
waarheid – de dood van God, het einde der
ideologieën - en de doorwerking van het daaruit
voortgekomen waardenrelativisme. Het
uithollingsproces van ‘lege referenten’ is door
de beeldschermcultuur alleen maar versneld. Door
het wegvallen van klassegebonden leefverbanden
met duidelijke rolpatronen, door de uitholling
van gefixeerde, universele waardenstelsels en
door de versnelling van de culturele mobiliteit
na de Tweede Wereldoorlog heeft met de Grote
Verhalen tevens het idee van de maakbaarheid van
het moderne samenleven zijn zeggingskracht
verloren. De kapitalistische productie van
consumeerbare identiteiten heeft de taak van
religieuze en politieke instituties geleidelijk
aan overgenomen. Het verlies van de hoogste
waarheid en waarden vereist een flexibeler
omgang met het warencirculaire aanbod ervan.
Positief bezien werkt dit een mentaliteit in de
hand waarin vormgeven en ontwerpen,
inventiviteit en creativiteit van doorslaggevend
belang zijn. Hier ziet Guattari een
ethisch-politieke dimensie in het esthetisch
dispositief opduiken. Want merkwaardig genoeg
lijkt het maakbaarheidsbesef op individueel vlak
door de vermeende keuzevrijheid omgekeerd
evenredig toegenomen. Alleen al omdat individuen
worden opgezadeld met de taak zelf keuzes te
maken en samenhang in hun leven aan te brengen.
Maar wel in overeenstemming met de door de
warencirculatie aangeboden waren, waarheden en
waarden. Het is deze kleinschalige en
micropolitieke maakbaarheid die Guattari, als
hij het over resingulariseringsprocessen heeft,
in zijn kritiek op de massa- en nieuwe media op
het oog heeft. Zo zou bijvoorbeeld een creatieve
omgang met minoritaire media een diversiteit van
subjectiveringen mogelijk maken. Heterogenese en
creatieve dissensus zijn daarbinnen
uitgangspunten voor een collectieve stilering
van op singulariteit georiënteerde verschillen
en geschillen.
B – GUATTARI DOORDENKEN
De integrale doorwerkingen van het esthetische
in een diversiteit van uitingen pleit voor
Guattari’s these dat er sprake is van een
‘esthetisch paradigma’ of dispositief. Maar
impliceert Guattari’s voorstel bewust de
overgang van menswetenschappelijke naar
ethico-esthetische paradigmata te maken, niet
dat dit esthetische dispositief allang
gemeengoed is? Zo lijken mij de thematiek van
het sublieme bij Lyotard en de revival12 van
Kants Kritik der Urteilskraft uitdrukkingen van
de filosofische doorwerkingen van een
laat-moderne variant van het esthetisch
dispositief. Foucaults ‘panoptische dispositief’
en Deleuzes artikel over het
surveillance-dispositief in Pourparlers13
benadrukken vooral de machtswerkingen die uit
disciplinerende (be)werkingen ervan
voortvloeien. Guattari’s oproep wijst er volgens
mij juist op dat het esthetisch dispositief in
zijn laatmoderne vorm zijn zeggings- en
overtuigingskracht aan het verliezen is. De
verschuiving waar Guattari op wijst en waarin –
zoals ook bij Lyotard en Derrida gebeurt - een
nieuwe oriëntatie doorbreekt, ligt daarom niet
zozeer in het esthetische alswel in de
verbinding met een ethische en een
micropolitieke component vanuit ecosofisch
perspectief: een ethico-esthetisch
‘paradigma’.14 Dit bevat zoals gezegd naast de
gangbare ‘milieu’dimensie ook een sociale en een
mentale dimensie.
5 – Sociale ecologie: dispositionele
leidmotieven –
Het onverschillige “Bekijk ’t zelf maar!” en
vrijblijvende “Anything goes” zijn
opportunistische, hyper-individualistische
doorwerkingen van een esthetisch nihilisme dat
het (gedesillusioneerde) rationele subject en
autonome individu in stand houdt. Grote Verhalen
zijn in hun repressieve (be)werkingen ontmaskerd
en morele waarden uitgeleverd aan een
onstuitbaar waardenrelativisme. Maar in dit
oppervlakkige en geïsoleerde bestaan persisteert
een onuitroeibare behoefte aan algemene
waarheden en aan verplichtende waarden. Deze
behoefte drijft individuen doorgaans terug naar
uitgeleefde waarden, massamediale stereotypen,
door angst ingegeven vooroordelen of zelfbewuste
egoismen. Al was het alleen maar om geweld goed
beargumenteerd te kunnen bestrijden en
sanctioneren en niet door ondermijnende
zelfkritiek iedere daadkracht te verliezen.
Guattari richt zijn kritiek op deze
negatief-kritische variant van het nihilisme. In
het door hem geviseerde doorstane,
creatief-affirmerende nihilisme wordt de
onmogelijkheid van laatste waarheden en waarden
evenmin weggenomen. Ze worden als noodzaak
ervaren. Het zelfreflectieve besef dat waarheden
en waarden slechts door een tweevoudig
mededelen, door een collectief geleefde praktijk
‘body’ krijgen, vormt zijn ethico-esthetische
oriëntatie. Het inzicht dat ze voor alles een
praktijk zijn – of anders een ‘lege referent’
oproepen – dus beweging en stroming zijn, maakt
dat ze nooit tot een algemeen, conceptueel
geschraagde, menselijke essentie kunnen worden
verheven. Zo kunnen in een veelvlakkig bestaan
naast dissensus en heterogeniteit onmogelijkheid
en noodzaak probleemloos naast elkaar bestaan:
het denken kan in de mede-deling beleefd worden.
Productieve spanningen tussen allerlei vlakken
vormen de uitgangspunten van een sociale
ecologie waarin een triplex mededelen -
filosofisch, artistiek en politiek – wordt
nagestreefd. In een oppervlakkig bestaan uiten
deze spanningen zich doorgaans gewelddadig. In
een veelvlakkig bestaan is geweld echter geen
afwijking, maar een gegeven dat een collectief
gestileerde omgang vereist. Het geweld van de
afwijking wordt niet verdrongen of
ondergewaardeerd, maar als constituent van
subjectivering geaccepteerd en geaffirmeerd:
passie, artistieke creativiteit, het kinderlijke
en waanzin vormen ‘proto-esthetisch
paradigmata’. Ze duiden op een
‘transindividuele, polysemische, animistische
subjectiviteit”(C 101). Guattari’s
therapeutische omgang met psychotische
dividuen15 in La Borde geeft hem in dat
implosief geweld – in laatste instantie:
doodsdrift – “niet intrinsiek in het wezen van
de menselijke soort is ingeschreven” (DÖ 59).
Voor collectieve stileringen wijst hij op het
werk van Sade en Céline: niet de inhoud van hun
boeken maar de maatschappelijke (be)werkingen
ervan zijn een uitdrukking van deze collectieve
stilering. Zij zijn voor hem geen aanstichters
van (a)sociale, gewelddadige interacties, maar
“sleutelauteurs van een mentale ecologie”(DÖ
59).16
Ik deel deze gemodificeerde sublimatiethese
niet. Passolini’s dood vergt een andere analyse.
Wel onderschrijf ik Guattari’s inzicht dat
geweld als gegeven moet worden beschouwd – met
de eigen dood als onmogelijk maar noodzakelijk
culminatiepunt - dat eerder dan een biopolitieke
technologisering een collectieve stilering of
bewerking, kortom een subjectiverings-praktijk
behoeft.
a. subjectiver ingspraktijk: kennen en handelen
Bij Guattari wordt een filosofische
grondintuïtie uitgewerkt die Plato ooit bij
monde van Socrates verwoordde. Zowel in het “Ken
uzelf” als in het “Kennis is deugd” wordt een
ethische verplichting van ‘conceptueel’ inzicht
uitgesproken. Inzicht verplicht. Hoewel kennis
niet vanzelfsprekend tot deugd hoeft te leiden –
vaak is het tegendeel waar - in relatie met het
existentiële imperatief “Ken uzelf” wordt wel
aangegeven dat deze kennis voor Plato toch
minstens een verplichtende praktijk is. Daar
deze praktijk in Plato’s Politeia nog bemiddeld
wordt door een hecht in de metafysica verankerde
moraal, is deze per definitie deugdzaam. Een
moderne en kritische vertaling van dit beproefde
inzicht vinden we bij Marx: “Kennis is macht”
expliciteert de ideologische grondslag van de
deugdenmoraal. Ondanks de repressieve
(be)werkingen van ideologische kennis gelooft
echter ook Marx nog in de objectiviteit van
kennis: als historisch-materialistisch
gefundeerde wetenschap. De collectieve
belichaming daarvan in een emancipatoire
klassenstrijd produceert subjectiviteit, waarvan
zoals we reeds zagen de kunstenaar de
niet-vervreemde pendant vormt. Recentelijk zijn
het onder anderen Habermas en Foucault geweest
die een samenspel van kennis en macht als
constituenten van subjectivering hebben
geanalyseerd. Habermas tracht het project van de
moderniteit nog te redden na “de uitputting van
het utopisch potentieel”, terwijl Foucault
vanuit zijn kritiek op het moderne subject
teruggaat naar Griekse ‘zelfpraktijken’.
Probeert Habermas met zijn ‘communicatieve
handelen’ het intersubjectieve domein van
repressieve macht te vrijwaren, Foucault ziet in
intrasubjectieve aanzetten van ‘waarheidsspelen’
in zelfpraktijken een mogelijkheid om macht en
subjectivering positief en productief te denken.
Bij Habermas is kunst nagenoeg afwezig, terwijl
Foucault in een ‘bestaansesthetica’ zoals hij
dit subjectiveringsproces noemt, het esthetische
centraal stelt. Postmoderne tegenbewegingen - de
homo- en vrouwenbeweging voorop - hebben
Foucaults inzichten gebruikt om hun strijd mede
te delen. Maar de radicaliteit van Foucaults
inzicht, waarin het worden en niet een
definitieve toestand wordt benadrukt, heeft niet
altijd weerklank gevonden. Als snel werd
beweging een Beweging met een eigen politiek
correcte ideologie, die niet langer als
strategisch en voorlopig werd ervaren. In
Guattari’s termen laat dit worden, dit
‘minoritairiseren’ zich vertalen als een
transversaal en rizomatisch vertakken en kruisen
van intensiteiten die als (be)werkingen van
mede-delingen (agencement d’énonciation) de
vastheid van een altijd voorlopige identiteit
aannemen: mededelen vindt (zijn) plaats op een
verdichtingsvlak (plan de consistance) dat naar
alle zijden open blijft staan. Mede-delen is
gemeenschappelijk handelen op grond van gedeelde
waarden. In de verwoording en voorlopige
identificatie van dit proces krijgen zij een
discursieve expressie. Conceptualiteit en
georiënteerd handelen, kennis en dat wat bij
Socrates deugd, bij Marx solidariteit, bij de
vroege Habermas nog ‘Interesse’ en in Foucaults
vertaling productieve machtwerkingen heet, staan
niet tegenover elkaar, maar vormen twee kanten
van de medaille.
b. dis/positie: gevoel als misplaatst begrip
Guattari spreekt zijn lezer op een
ethico-esthetisch kwaliteit aan en geeft aan hoe
deze in verhouding staat tot de conceptualiteit
van vertogen. Maar hoe verhouden beide zich tot
de derde component: affectiviteit? Kortom, hoe
hangen in sociaal ecologisch opzicht waarnemen
en kennen samen met beroerd worden? Zou een
dispositief, voordat het begrepen – en verlaten
- wordt, niet eerst ‘onbewust’ op affectief vlak
doorwerken? Ik zou de term ‘dispositief’ nog
eenmaal willen doorlichten om deze vraag te
exploreren. Eerder merkte ik al op dat de
atrofiëring van een dispositief een vacuüm
creëert, waarin een nieuwe oriëntatie zich
uitkristalliseert. Dit vacuüm bevindt zich niet
tussen twee dispositieven, hoe verleidelijk deze
gedachte van het ‘tussen’ ook is: dit zou een
derde positie vooronderstellen, waarmee we voor
we het beseffen weer belanden in een dialectiek
die Guattari juist afwijst. (DÖ 49) Dit vacuüm
wordt – zoals de oneigentijdsheid van het “out
of joint” – vaak als een gebrek aan
manoeuvreerruimte opgevat. Maar kan het niet als
een productief misplaatst zijn worden ervaren:
als een dis-positie? De mededeelbaarheid van dit
misplaatst zijn, van deze minoriteit ligt op een
ander vlak dan dat van uitgewoonde concepten.
Voordat een ander - ‘principieel’ voorlopig -
mededelen al praktiserend wordt uitgevonden,
heeft de mede-deling wellicht al een
spatio-temporele kwaliteit, zij het niet op het
discursieve vlak. Is het niet mogelijk dat deze
kwaliteit zich in een niet-discursief te
bezetten tijd/ruimte ontwikkelt, zoals Freud
ooit met zijn Onbewuste viseerde: een
‘dispositie’vlak van gevoelens, neigingen of
affecten? De term ‘dispositie’ duikt sporadisch
op in Guattari’s teksten en is dan altijd met
affectiviteit verbonden. Zo heet het in Les
Trois Écologies dat een wetenschappelijke
verklaring van subjectiviteit zelf “een
dis-positioneel in scene zetten” inhoudt, dat
“in ‘tweede’ instantie een discursief begrip
toelaat” (DÖ 27). Doorgaans wordt de aandacht
verschoven van affecten naar concepten met een
hegeliaanse pretentie: de mede-deling ontplooit
affectiviteit. Guattari zelf benadrukt echter de
complementariteit. Ik geef de voorkeur aan
supplementair.17 In Cartographies
schizoanalytiques wijst hij erop dat de actieve
kracht van een affect de vraag naar “een
dis-positie van mededeling” (CS 254) opwerpt:
het affect – als gevoel – zet vanuit zijn eigen
werkingen aan tot handelen. Dit roept Lyotards
gebruik van de term ‘aisthesis’ in herinnering:
in deze ‘waarneming’ speelt affectiviteit
eveneens een rol.18 Affect noemt Guattari zelfs
een ‘proto-énonciation’ wat affiniteit met
Lyotards ‘affect-zin’ suggereert. Kortom,
affecten dispositioneren op tweevoudige wijze
concepten: vanuit het begrip is het affect
misplaatst, maar dit misplaatst-zijn zelf is
mede-deelbaar en mede-deelzaam.
c. leidmotieven: collectief handelen en
affectieve identiteit
Met de afwijzing van het totaliseringconcept
wordt ook het verlangen naar oneindigheid
afgewezen. (C 37) Eindigheid komt als limiet in
beeld.19 De eindigheid van waarheden en waarden
maakt dat ze niet algemeen toepasbaar zijn en
dat ze vooral als collectieve, dissensuele
belichaming (be)werken. Als het eindigheidsbesef
veronachtzaamd wordt, wordt elke sociale
samenhang – hoe beschaafd en rationeel ook – die
geen stilering van het geweld toelaat,
uiteindelijk een vorm van louter overleven: een
survival of the fittest in de vorm van een
panische hypervitaliteit, het verkeren in alle
staten van paraatheid, bedacht op elke
ondermijnende inbreuk. De competitiestrijd op
macropolitiek vlak van Guattari’s Geïntegreerd
Wereld Kapitalisme is wellicht de meest
omvattende uitdrukking. Kleinschalige
levenspraktijken die de aanblik van traag
overleven bieden, zouden echter als collectieve
stilering van de onvermijdelijkheid wel eens een
hogere ethico-esthetische kwaliteit kunnen
hebben. Als normaliteit en zelfdiscipline
uitkomsten zijn van collectieve (be)werkingen
die in menswetenschappelijke praktijken
geïndividualiseerd en geïnterioriseerd worden,
werpt dit dan enig licht op Guattari’s notie
‘ritornello’, dat hier met ‘leidmotief’ is
vertaald: is dit een kleinschalige, repetitieve
ritmering of een crypto-ritueel? Het repetitieve
karakter ervan zou dan teruggaan op rituele
ritmeringen: bijvoorbeeld het door het koor
gezongen refrein van de Griekse tragedie. Om op
de veelvlakkige (be)werkingen zicht te krijgen
is het vereist
“een
continuüm te conceptualiseren dat zich beweegt
van het kinderspel en de provisorische
ritualiseringen die pogingen van
psychopathologisch herstel van ‘schizoide’
werelden begeleiden, via de complexe
cartografieën van de mythe en de kunst, helemaal
tot aan de weelderige speculatieve bouwsels van
de theologie en de filosofie, die getracht
hebben dezelfde dimensies van existentiële
creativiteit te begrijpen”(C 107/108).
Zo
zelfdiscipline een modern-individualistische
variant is van een collectief ritueel, zou
normaliteit dan een moderne variant zijn van het
sociale gedrag dat voorheen in collectieve
rituelen werd geproduceerd en gepraktiseerd? Dan
zijn deze intrinsieke (be)werkingen
leidmotieven. Is het een overweging waard deze
op te vatten als steeds de fysieke, steeds
terugkerende ritmeringen die identiteit,
normaliteit en – op mededelingsvlak –
subjectiviteit schragen? In het moderne en
postmoderne samenleven werken naar mijn mening
dit soort leidmotieven nog op allerlei manieren
door. De minst herkenbare vormen zijn wellicht
stereotypisch taalgebruik, routineus,
ongereflecteerd handelen en gewoonten. In
positieve zin zijn dit gemeenschapsstichtende
gedragingen, De hyperindividualistische
pathologische uitingsvormen dienen zich aan als
neurosen. Routineuze handelingen – van
tandenpoetsen, het wekelijkse bezoek aan de
bingo of houseparty, de tweemaandelijkse
vernissage - kunnen dwangmatig worden zodra de
door het samenleven opgelegde samenhang – het
samen-leven – niet meer vanzelfsprekend werkt en
een overcompensatie is vereist. Neurose is dan
een negatief leidmotief dat op het subjectieve
vlak het panische handelen structureert en
samenhang geeft. Evenals conventioneel
verslavingsgedrag wordt subjectiviteit een
panische, rituele praktijk, die bij de minste of
geringste inbreuk op deze ritmering uit elkaar
valt. Guattari opent daarentegen het zicht op
een productieve en positieve werking van
leidmotieven. Ik zou willen voorstellen ze op te
vatten als uiteenzettingen van affecten:
leidmotieven zijn psycho-sociale disposities. Ze
vormen evenals affecten een ‘inter’ waarbinnen
subjectiviteit plaatsvindt: zij zijn door hun
betrokkenheid ‘primair’ inter-esse. In Mille
plateaux heet het leidmotief een intermezzo, een
‘milieu’. Conceptualisering en verbeelding
vinden misschien pas (hun) plaats als affecten
fysiek en collectief als leidmotieven worden
uiteen-gezet. Door deze tussen’positie’ zijn
deze affecten per definitie dispositioneel.
‘Ritornello’ als een kleinschalige ‘wederkeer’ –
om met Nietzsche te spreken - wordt door
(ver)beelding gesynthetiseerd en door vertogen
op begrip gebracht. In een triplexe (be)werking
krijgt affectiviteit samenhang en wordt deze
herkenbaar als identiteit:
"De
paradox
waar de esthetische ervaring ons voortdurend
naar terugverwijst, is dat deze affecten, als
een modus van existentiële waardering,
onmiddellijk zijn gegeven, ondanks, of los van
het feit dat indicatieve kenmerken en
descriptieve leidmotieven noodzakelijk zijn om
hun bestaan te catalyseren in het veld van
representatie”. (C 93)
Zijn
deze noodzakelijke ‘representatiespelen’
vergelijkbaar met Foucaults ‘waarheidsspelen’?
In ieder geval lijken beide mij
creatief-affirmatieve transformaties van
kleinschalige uitdrukkingen van dat wat
hierboven ‘dispositief’ is genoemd. Zou de
vertaling naar het micropolitieke niveau van de
disposities Guattari impliciet hebben bewogen om
zijn ‘dispositief’ als mede-deelbare paradigmata
te presenteren? Deze repetitieve (be)werkingen,
hoe onvoorspelbaar ook, leiden op kunst-matig
vlak tot een identiteitservaring, waarin
opposities teniet worden gedaan:
“een
blok
van percepten en affecten, als een esthetische
compositie, brengt in dezelfde transversale
flits het subject en het object, het zelf en de
ander, het materiële en het onlichamelijk, het
ervoor en het erna samen"(C 93).
Zou
deze
discursief niet te vatten, gemeenschappelijke
(ver)beelding de mededeelbare grondslag kunnen
vormen van waarheden en waarden die
subjectiveringen zeggings- en aantrekkingskracht
verlenen?
6 – Mentale ecologie: zelfreferentiële
bestaansgrond –
Geen cartesiaans “cogito ergo sum” dus, maar een
“affectus ergo sum”, zoals Julia Kristeva in
Liefdesgeschiedenissen (1983)20 voorstelt. Een
‘affectus’ als knooppunt van een ‘inter’ waarin
leidmotieven identiteit ritmeren en de
verbeelding deze synthetiseert. Hoe laat dit
zich op existentieel vlak begrijpen? Is er een
samenlevingsvorm waarneembaar die zich vanuit
deze mentaal-ecologische optiek laat her-denken?
En wat blijft daarin van het vertrouwde cogito,
van het “ik denk” over als het “ik ben” tot een
‘zijn’ van het ‘inter’, tot inter-esse wordt? Ik
zou voor een laatste verheldering kort nog twee
esthetische componenten van het
ethico-esthetische dispositief willen uitwerken:
stijl en virtualiteit. Ik meen dat Guattari,
voorbij opposities en dualiteiten, een
collectief ingebedde stilering viseert van een
‘tussen’ of, zoals ik hiervoor reeds aangaf, van
een onbeslisbaar midden tussen waarnemen en voor
waar nemen als een ‘tussen’ dat, zoals gezegd,
vandaag de dag door overleefde tegenstellingen
nog steeds aan de blik wordt onttrokken.
a. inhoud en expressie: levensstijl
Welke ethico-esthetische samenlevingsvorm binnen
een micropolitieke interactiviteit staat
Guattari voor ogen? Opnieuw biedt Foucaults
referentiekader uitkomst. In diens notie
‘bestaansesthetica’ of levensstijl levert
‘stijl’ een ecosofische expressie. Dit kan
afgeleid worden uit Guattari’s kritiek op de
aristotelische tegenstelling materie-vorm.
Guattari laat namelijk met de cartesiaanse
lichaam-geest dualiteit tevens een tweetal
aristotelische dichotomieën achter zich, die nog
in de marxistische dialectiek doorwerken:
materie-vorm en potentie-werkelijkheid. Hij
verdisconteert het besef van historiciteit en
eindigheid van iedere waarheid en waarde in zijn
voorstel om de eerste tegenstelling te vervangen
door het supplementaire begrippenpaar
‘inhoud-expressie’. ‘Inhoud’ staat niet voor een
ruwe, ongevormde materie, maar voor reeds
cultuur-historische gevormde stof: ‘leven’ onder
bepaalde omstandigheden in een bepaalde tijd.21
De stilering van ‘het’ leven begint nooit bij
een nulpunt: voordat we ook maar ‘ik’ kunnen
zeggen, zijn we al in vele geschiedenissen en
vertogen ‘geworpen’ – om met Heidegger te
spreken. Dit geworpen-zijn houdt in dat het
leven als ongevormde materie niet bestaat.
‘Inhoud’ heeft dus altijd al een vorm.
‘Expressie’ of uitdrukking staat niet tegenover
deze inhoud, maar drukt collectieve
(be)werkingen van deze vorm uit. Inhoud en
expressie zijn dus geen tegenstelling, maar
supplementaire gestalten van samenhangende
(be)werkingen die aangeduid worden met de notie
‘stijl’. Als er over levensstijl wordt gesproken
dan is de verleiding groot om deze als een
stilering door ‘iemand’ van ‘iets’ op te vatten.
De meest voor de hand liggende kandidaat voor
het ‘iets’ is ‘het leven’ en voor iemand ‘een
autonoom individu’ of ‘ik’. Dit noem ik echter
‘lifestyle’: waar onder de waren. Bij Guattari
is ‘het’ leven al een gevormde materie en is het
autonome individu een veelvlakkige samenhang,
waar hij op foucaultiaanse wijze drie
determinanten onderscheidt: één komt van
buitenaf (macht), één van binnenuit (kennis) en
één beweegt zich tussen de vlakken:
zelfreferentialiteit. Het is deze
zelfreferentialiteit die in het proces van
subjectivering een doorslaggevende rol vervult:
zelfreflectie. De supplementariteit in een stijl
bestaat hierin dat de uitdrukking de inhoud
vormt en dat inhoud dus slechts als uitdrukking
kan verschijnen. Ze van elkaar lostrekken is
echter een metafysische ingreep: de inhoud
bestaat niet vóór de uitdrukking. Evenmin gaat
de inhoud helemaal op in de uitdrukking: er
blijft een verschil bestaan waardoor de
stilering aan een (zelf)reflec-tie kan worden
onderworpen. Inhoud geldt pas als criterium voor
de uitdrukking vanuit het stileringsproces.
Zoals in de bespreking van het dispositief werd
opgemerkt werkt zelfreflexiviteit veranderend.
Deze reflectie is een noodzakelijke voorwaarde
voor creativiteit. Maar deze kan niet geheel op
het conto van een ‘ik’ worden geschreven: de
doorwerkingen van het hier en nu - de
spatiotemporele gesitueerdheid - en van het
mede-delen met anderen constitueren de
‘zelf’reflectie. Evenals in de ‘zelfpraktijken’
van Foucault wordt het zelf altijd tegelijk door
zichzelf en door anderen be-werkt. Kortom,
lifestyle is nog geen (samen)levensstijl.
Lifestyle, om het maar eens onaardig te
formuleren, is in negatieve zin esthetisch:
oppervlakkig, a-politiek,
hyperindividualistisch. Een levensstijl is
veelvlakkig, micropolitiek en dividueel.
b. zelfreferentialiteit : potentie-werkelijk èn
actueel/virtueel
In Foucaults oproep te ‘worden’ in plaats van te
zijn klinkt een Deleuzo-guattariaans stromen en
bewegen door: in het homo-worden weerklinkt het
vrouw-, dier- of minoriteit-worden. Maar het
gaat bij dit worden niet om een potentie die
verwerkelijkt moet worden om geschiedenis te
maken. Net zo min als er sprake is van een
aristotelisch hylemorfisme (stof-vorm) is het
potentie-realiteit dualisme doorslaggevend.
Zowel de christelijke als de
hegeliaans-marxistische transformatie ervan
veronderstelt een lineair-progressieve tijd. Dit
is een ontwikkelingsgeschiedenis die uitmondt in
een voltooide werkelijkheid: het Rijk Gods op
aarde, de burgelijke rechtsstaat, het Derde Rijk
of de communistische samenleving. Dit
ontwikkelingsperspectief is bij Guattari wel in
micropolitiek opzicht aanwezig – hij viseert
immers een politiek van de bevrijding - maar dit
perspectief laat zich niet meer tot een enig
ware geschiedenis totaliseren. Micropolitieke
interactiviteit is een veelvlakkig gebeuren in
een hier en nu, een hiernumaals of een
‘actualiteit’. Met het ogenschijnlijk
tegengestelde ‘virtualiteit’ vormt ‘actualiteit’
een reflectieve dynamiek die als het ware haaks
op de lineair-progressieve tijd staat: het is
een oneigentijdse kwaliteit. Actualiteit
verwijst naar ‘agere’ en ‘actus’: (be)handelen.
22 De term gaat terug op het Aristotelische
‘energeia’ (kracht) en ‘entelecheia’
(voltooiing). In de aristotelisch-thomistische
traditie is actualiteit als werkelijkheid nog
verbonden met een vanuit essenties gedachte
potentialiteit. Ik vat actualiteit in
Guattariaanse zin echter op als een
(be)handeling en (be)werking – ‘in actu’ – van
reeds gevormde, maar nog niet gestileerde
materie: het (dagelijkse) samen-leven. Iets
concreter en historischer: deze specifieke
stilering neemt een aanvang in de loop van de
19e eeuw en hangt samen met een toenemende
mediale reflectie op het maatschappelijke en
wereldgebeuren. De 19e eeuw is de eeuw van de
natie-staat en van de massa’s. Actualiteit wordt
een sociaal-politieke categorie zodra media
zoals kranten of tijdschriften - in de 20e eeuw
vervolgens radio en bioscoopjournaal, televisie
en World Wide Web - de veelheid van
gebeurtenissen in wereldhistorische perspectief
plaatsen en reflecteren: de krantenkop en het
nieuws-item zijn aanvankelijk slechts weergaves
van één singuliere gebeurtenis. Deze kan echter
wereldnieuws worden door de koppelingen met
andere nieuwsfeiten en door inwerkingen op,
doorwerkingen in en bewerkingen van het
collectieve bewustzijn en gedrag van de
infoconsumenten waar iedereen door de
verbreiding van onderwijs onvermijdelijk toe
gaat behoren. Actualiteit is een gestileerde –
en vanuit waarnemingsperspectief:
disciplinerende - werkelijkheid. Deze
werkelijkheid komt steeds minder voort uit
noodzakelijk te realiseren essentialistische
potenties of mogelijkheden. De zelfreflectieve
werkelijkheid die tegenwoordig actualiteit heet,
realiseert – als begrijpen en verwerkelijken –
geen mogelijkheden maar virtualiteiten. Het
kernwoord van virtueel – het
aristotelisch-thomistische ‘virtus’ – betekent
allereerst deugd. Het handelingsaspect van
kennis duikt weer op. Voor de Guattariaanse
context is een andere betekenis van ‘virtus’ van
groter belang: ‘kracht’ of ‘werking’.23 Het
veelvlakkige hiernumaals bevat virtueel een
actualiteit die fysiek werkelijk kan worden,
maar die ook als virtualiteit reëel is: ‘virtual
reality’ is meer dan een gedachte, een idee, een
droom, een visioen, een intuïtie, een visie,
kortom schijn. In hun (be)werkingen van een
materiële werkelijkheid scheppen ze alle een
actuele, gereflecteerde werkelijkheid. Maar
daarin is het besef van een andere actualiteit
altijd aanwezig: hoe overweldigend de simulatie
ook is, heel ver weg blijft de gedachte aan een
lichaam dat zich in een fysieke ruimte beweegt
doorwerken. Actualiteit, zou ik willen stellen,
is een stilering van het dagelijkse, aan de
mediale waarneming onttrokken leven tot
micropolitieke werkelijkheid. Deze werkelijkheid
is niet de voltooiing van een potentie, maar één
van de actuele realiteiten in een veld van
werkelijke virtualiteiten van het hiernumaals.
“Het
mogelijke is nooit werkelijk, ook al kan het
actueel kan; echter, hoewel het virtuele niet
actueel is, is het niettemin werkelijk. In
andere woorden, er zijn verscheidene huidige
(actuele) mogelijkheden waarvan sommige in de
toekomst zullen worden verwerkelijkt;
daarentegen zijn virtualiteiten altijd werkelijk
( in het verleden, in de herinnering) en kunnen
ze worden geactualiseerd in het heden” 24
Virtualiteit
krijgt als een complex van vluchtlijnen een
subversieve kwaliteit en vormt een reservoir
voor creativiteit dat na de “uitputting van het
utopisch potentieel” kan worden aangeboord.
Actualiteit en virtualiteit kennen geen lineaire
uiteenzetting of causaliteit – dan zou
virtualiteit weer potentialiteit zijn – maar
zijn beide tegelijk werkzaam als reflecterende
mede-deling. Het is niet geheel van zin
verstoken om niet alleen een dispositief, maar
ook een als dis-positie gedachte affectiviteit
virtueel en de doorwerkingen en (be)werkingen
ervan actueel te noemen: een affect is een
gedispositioneerde mede-deling die een
micropolitieke interactiviteit bestemt. Een
verdichtingsvlak is eveneens virtueel, de
expressie ervan – als een specifieke organisatie
van een complex van collectieve (be)werkingen –
actueel.25 Of in Guattari’s meta-modellisatie:
Fyla en Stelsels zijn potenties van
respectievelijk Stromingen en Bestaansgronden,
die daarvan de werkelijke uitdrukkingen zijn.
Fyla en Stromingen zijn op hun beurt actuele
verschijningsvormen van Stelsels en
Bestaansgronden die virtueel zijn. Dit alles
verklaart enigszins Guattari’s uitspraak dat
"alle
waardesystemen - religieus, esthetisch,
wetenschappelijk, ecosofisch – zichzelf
installeren in de machinieke interface tussen
het noodzakelijk actuele en het mogelijk
virtuele"(C 52/3).
Het
snijpunt van het actuele en de materiële
werkelijkheid is een gebeurtenis: de nulgraad
van het bestaan.26 Als supplementair
begrippenpaar duidt actualiteit/virtualiteit dus
op een reflectieve verhouding tot het complex
van materiële gebeurtenissen of ‘événements’. De
realiteit van een gebeurtenis is tegelijkertijd
actueel en virtueel. Actueel als onderdeel van
een reeks gebeurtenissen, vergelijkbaar met
Lyotards finaliserende inhakingen van zinnen.
Virtueel als het dispositioneel gebeuren dat
Lyotard als ‘zin-affect’ en Guattari als
‘proto-mededeling’ aanduidt.
c. ‘agencement’ d’énonciation: (be)werkingen van
mede-deling
In welke relatie staat ten slotte deze
actualiteit/virtualiteit tot het ‘agencement’ en
de subjectiveringspraktijken? Handelen
veronderstelt in iedere geval niet één maar vele
sturende krachten: (be)werkingen op conceptueel,
perceptief en affectief vlak. Dé sturende
instantie (agent) bestaat slechts virtueel. De
‘agent’ die op het kruispunt van
territorialiserende segmentatielijnen en
deterritorialiserende vluchtlijnen druk met zijn
armen zwaaiend de aandacht probeert te trekken –
het intentionele, zelfbepalende subject met zijn
beredeneerde verlangens – is slechts één
verabsoluteerde cultuur-historisch gebonden
uitdrukking van deze ‘agencement’. Voor de
Grieken waren het de Olympische goden: “Muze,
vertel mij het verhaal” begint Homerus zijn epos
over de thuisreis van Odysseus. God, engelen of
duivels zijn christelijke varianten. Postmoderne
individuen laten zich weliswaar inspireren door
hun beelden en weten dat onbewuste drijfveren en
gevoelens meespelen, maar uiteindelijk willen
zij zich, als het uitkomt, nog steeds
verantwoordelijk weten voor hun daden. Ethische
verantwoordelijk blijkt echter meer en meer op
juridische aansprakelijkheid neer te komen.
Toerekeningsvatbaarheid wordt een kwestie van
berekening. Of er een ‘laatste beweger’ is en
wat deze ‘onbewogen beweger’, zoals Aristoteles
hem kwalificeert is, is bij gebrek aan Grote
verhalen niet langer definitief vast te stellen,
ook al blijft de behoefte aan deze
‘auto-mobilist’.onverminderd doorwerken. Soms
zijn het idealen of denkbeelden, dan weer
intuïties, aandriften, beroeringen of gevoelens
die een handelingscomplex samenhang geven. De
‘agent’ als sturende kracht kan voelbaar zijn
als een onbestemd verlangen, voorstelbaar als
een object gerichte wens en denkbaar als een
door rationele overweging gestuurd principe.
Affecten, percepten en concepten (be)werken
elkaar ‘binnen’ een individu, maar zijn altijd
ook betrokken op anderen en op de wereld der
dingen. Handelen is eerst dividueel en dan pas
intersubjectief. Mede-delen is daarom
‘intrasubjectief’ noch ‘intersubjectief’.
Voordat er een individu is, is er eerst een
‘tussen’. Het ongedachte midden zal per context
en situatie verschillen, ook al is het
uitgewerkte resultaat – de gëeffectueerde
actualiteit – doorgaans eenduidig te
identificeren door middel van een naam die in
het geboorteregister en politierapporten is
opgeschreven. Precies tegen de haast
onvermijdelijk procedure van deze identificatie
verzet Guattari zich: tegen de logica van het
uitgesloten midden en het binairisme.
“De
symmetrie van de schaal, de transversaliteit,
het pathische niet -discursivieve karakter van
hun (affecten, ho) expansie: al deze dimensies
verwijderen ons van de logica van het
uitgesloten midden en sterken ons in onze
afwijzing van ontologisch binarisme die we
voorheen hebben gekritiseerd."(C 50)
7
– Het midden als zelfreferentiële bestaans-grond
–
Guattari richt zijn aandacht op “scheppende
kernen van autopoëtische consistentie” (C 105).
De consistentie of vastheid geeft subjectiviteit
‘body’ als territorium of grond wordt het door
affecten doorkruist en door concepten in kaart
gebracht. De affecten zijn als nomaden die er
zwervend doorheen trekken zonder zich ook maar
een moment ontheemd te voelen. Niet de diepte of
oppervlakte van de grond telt, maar het
veelvlakkige ervan. Het middelpunt van deze
‘grond’ is een belichaamde dis-positie:
“Een
wereld kan slechts gevestigd worden op
voorwaarde dat zij bewoond wordt door een
middelpunt, een deconstructivistisch,
detotaliserend en deterritorialiserend punt,
vanwaaruit zich een subjectieve positionaliteit
belichaamt.”(C 80)
Want
hoe je het ook wendt of keert: lichamelijke
samenhang vereist een – zij het principieel
voorlopige - positie. In het nomadisch
doorkruisen van het milieu wordt subjectivering
geritmeerd door leidmotieven. Ik zou geneigd
zijn er aan toe te voegen dat het milieu aan de
posities ‘voorafgaat’, ware het niet dat de tijd
van dit ‘midden’ of ‘tussen’ – evenals die van
het virtueel/actuele nooit samenvalt met een
modern-lineaire tijd: het kent geen
ontwikkelingsgeschiedenis. Zijn plaats kent geen
‘coördinaten’. Als het zijn plaats al kent, dan
is deze kennis dispositioneel of misplaatst.
Dispositionele affecten ritmeren de
spatio-temporele kwaliteit van het ‘midden’. Ook
zij gaan ‘vooraf’ aan iedere (op)positie. Het
midden is dus niet als een goede plaats – een
utopie - te fixeren. Het is hoogstens te
traceren als verplaatsing. Virtueel bezien is
het (een) plaats (uit)vinden en tijd maken. Het
‘tussen’ bestaat als ‘inter-esse’. Het is deze
betrokkenheid van waaruit Guattari zich teweer
blijft stellen tegen de opposities en dualismen
die het westerse denken millennia lang hebben
bespookt.
“Bestaan,
als een deterritorialiseringsproces, is een
specifieke intermachinieke werking die zichzelf
richt op de bevordering van enkelvoudige
existentiële intensiteiten. En ik herhaal, er is
geen algemene syntaxis voor deze
deterritorialiseringen. Existentie is niet
dialectisch, niet representatief. Het is
nauwelijks leefbaar!"(C 52)
Subjectivering als een experimentele praktijk:
op affectief vlak als een in- en uitstromen, op
perceptief vlak als een verbeelden van deze
transversale stromingen en op conceptueel vlak
als een discursief mede-delen van de
consistentie, coherentie en continuïteit ervan
Subjectiviteit als kunst-matig resultaat van
mede-delingspraktijken. Het is waar: Guattari
laat in het midden wat deze gemeenschappelijke,
veelvlakkige bestaansgrond uiteindelijk
schraagt. Maar toch heeft ook hij niet kunnen
nalaten dit ‘punt’ of dit ‘gebeuren’ een naam te
geven: C
h a o s m o s e
N o t e n
“ONTWERPT, VERWORPENEN DER AARDE” pp. 115-141
1 – Deze triplexiteit dient niet dialectisch te
worden opgevat. Het begrip of concept speelt wel
een rol, maar is niet de laatste toetssteen,
zoals bij Hegel het geval is. Zie: DÖ 49.
2 – Deleuze analyseert vanuit deze optiek het
werk van de schilder Francis Bacon. Zie: Gilles
Deleuze, Francis Bacon. Logique de la sensation.
Edition de la différence, Parijs 1981.
3 – Het gebruik van de term ‘subjectiviteit’
blijft problematisch. Het is weliswaar niet meer
het transcendentale subject van Kant, maar toch
blijft door deze term de kentheoretische
dimensie een bevoorrechte rol spelen. Een
welwillende lezing van Guattari’s voorstel
‘subjectivering’ roept Foucaults latere
zelfkritiek in gedachten: deze meende dat hij in
zijn subjectkritiek over het hoofd had gezien
dat er in de loop van de westerse geschiedenis
telkens weer subjectiviteiten zijn geproduceerd.
4 – Foucault en Deleuze bespreken vanaf het
begin van de jaren zestig elkaars werk
regelmatig. Zo bespreekt Deleuze Foucaults
Surveiller et punir (1975) in een artikel met de
titel: “Surveiller et punir: Geen schrijver maar
een nieuwe cartograaf” (vertaling in: Te Elder
Ure 29, pp. 635-658). In 1971 werken ze samen in
een commissie die de hervorming van het
gevangeniswezen voorbereidt. Zie verder: Didier
Eribon, Michel Foucault (1926-1984) Flammarion,
Parijs 1989, p. 274.
5 – Zie: Henk Oosterling, De opstand van het
lichaam Over verzet en zelfervaring bij Foucault
en Bataille. SUA, Amsterdam 1989, p. 139.
6 – Zie: Michel Foucault, De wil tot
weten.Geschiedenis van de seksualiteit 1. SUN,
Nijmegen 1984, p. 105.
7 – Zie: Michel Foucault/Gilles Deleuze,
Nietzsche als genealoog en als nomade. SUN,
Nijmegen 1981, p. 57.
8 – Zie: Jean-François Lyotard, “One thing at
stake in women’s struggle” (1978) in: The
Lyotard Reader Basil Blackwell, Cambridge (Mas.)
1989, p. 118. Deze theorie-fictie is
vergelijkbaar met soortgelijke kentheoretische
deconstructies, zoals Foucaults ‘waarheidsspel’,
Derrida’s ‘deconstructieve schriftuur’ en
Baudrillards ‘fatale strategieën. Zie verder:
Henk Oosterling, Door
schijn bewogen. Naar een hyperkritiek van
de xenofobe rede. Kok Agora, Kampen 1996, pp.
581, 588.
9 – Het 19e eeuwse Gesamtkunstwerk is een
mislukte, moderne poging om deze integratie
vanuit de kunst tot stand te brengen. Zie: Udo
Bermbach, Der Wahn des Gesamtkunstwerks. Richard
Wagners politisch-ästhetische Utopie. Fischer
Verlag, Frankfurt a/M 1994; zie ook: Harald
Szeemann e.a. (red.), Der Hang zum
Gesamtkunstwerk. Europäische Utopien seit 1800.
Verlag Sauerländer 1983.
10 – Zie voor deze iets te simpele
interpretatie, waarin overigens wel een
kritische intuïtie wordt aangezet, het door
Siebe Thissen en Andreas Broeckmann besproken
artikel van Richard Barbrook.
11 – Ik kan dit in dit kader slechts kort
aangeven. Zie verder: Oosterling, Door
schijn bewogen, o.c., Deel III, pp. 495-
650.
12 – Zie: Henk Oosterling, “Kritiek van de
politieke rede: Lyotards (af)tastende denken”
in: Jacques Tacq (red.), Een hedendaagse Kant.
De invloed van Immanuel Kant op contemporaine
denkers. Boom, Amsterdam 1997, pp. 139-164.
13 – Zie: “Post-scriptum sur les sociétés de
controle” in: Pourparlers 1072-1990. Minuit,
Parijs 1990, pp. 240-247.
14 – De amerikaanse vertaling voegt het zelfs
als ondertitel aan de hoofdtitel toe, zodat over
het morele gehalte van Guattari’s denken geen
misverstand kan bestaan.
15 – Als een in-dividu ‘niet-deelbaar’ betekent,
dan zijn schizofrenen ‘dividuen’. Of esthetisch
dispositioneel geformuleerd: di-videre:
twee-zieners.
16 – Dit strookt weer met zijn opvatting dat van
literatoren vaak meer over het innerlijk te
leren valt dan van psychologische analyses, wat
eens te meer een verschuiving van het
menswetenschappelijke naar het ethicoesthetische
dispositief aangeeft. (DÖ 26)
17 – Zie: Door
schijn bewogen, o.c., p.454/539/649.
18 – Zie daartoe: Jean-François Lyotard, “Anima
minima” in: Moralités postmodernes. Galilée,
Parijs 1993, p. 204.
19 – Als Kants ‘’Totalität’ en ‘Gesamtkunstwerk’
limietgestalten zijn, dan is “Anspruch auf
Totalität” en “Hang zum
Gesamtkunstwerk” een discursieve en affectieve
uitdrukking van dit verlangen. Zie: Henk
Oosterling, “Idealisme: idee, ideaal, ideologie,
ideelogistiek. Een ideeëngeschiedenis/Idealism:
Idea, Ideal, Ideology, Logistics of Ideas. A
History of Ideas” in: De wereld moe(s)t anders;
over grafisch ontwerpen en idealisme/ The World
must change; on graphic design and idealism.
Leonie ten Duis/Annelies Haase (red.), Amsterdam
1999.
20 – Zie: Julia Kristeva, “Ego affectus est” in:
Liefdesgeschiedenissen. Een essay over
verleiding en erotiek. Contact, Amsterdam 1991,
pp. 173-193.
21 – Zo dient het meest algemene vlak ‘fylum’
evenmin verward te worden met een kosmische
oersoep; deze is vanuit het viervlak slechts als
‘lege referent’ te extrapoleren, maar maakt er
geen deel vanuit.
22 – Het latijnse grondwoord ‘agere’ – met als
voltooid deelwoord ‘actus’ - heeft vele
betekenissen, maar de meeste geven uitdrukking
aan een causerende werking: iets in beweging
brengen of tot iets anders aanzetten, zoals het
opdrijven van een kudde.
23 – Virtueel was in de scholastische filosofie
een tussenterm tussen actueel (formeel) en
nominaal (louter verschijning): het was dus niet
louter schijn, maar een eerste vorm-principe. Zo
was de ziel de actuele vorm van het lichaam.
Maar virtueel werd bijvoorbeeld ook gebruikt om
vergissingen te kwalificeren die per ongeluk tot
ontdekkingen leidden: vanuit zijn doorwerking is
het virtuele als actualiteit werkelijk.
24 – Aldus de beschrijving van Deleuzes
verwerking van deze thematiek. Zie: Michael
Hardt, Gilles Deleuze. An Apprenticeship in
Philosophy. UCLPress, Minnesota/Londen 1993, p.
17.
25 – Bij Foucault vindt een soortgelijke
verschuiving naar het virtuele en actuele
plaats: machtverhoudingen heten nu eens
puissance, dan weer pouvoir. De laatste zijn de
uiter-lijke machtsstructuren die doortrokken
zijn van krachtsverhoudingen, die een virtueel
karakter hebben. Kracht, met andere woorden, kan
slechts gedacht worden vanuit gegeven
machtverhoudingen, maar deze ontlenen hun
dynamiek aan de krachten die nooit volledig
geterritorialiseerd kunnen worden.
26 – Zie voor Deleuzes uitwerking van de
problematiek van virtualiteit en gebeurtenis:
Gilles Deleuze, The Fold. Minneapolis, Minnesota
1993, resp. 104-110 en 76-82.
- 1998 "Ontwerpt,verworpenen der aarde, ..!. Guattari's
ethico-esthetisch
paradigma"  |