1. Met Nietzsche voorbij
Marx en Freud
De hoofdtitel van zijn volgende boek Capitalisme
et Schizophrénie 1. L'AntiOedipe (1972) dat
Deleuze samen met de vorig jaar overleden
psychiater Félix Guattari schrijft, geeft een
verdere indicatie voor het gedachtengoed waarop
hij zich orinteert. Hij laat zich in deze
genealogie van het verlangen in de
laatkapitalistische samenleving door het
ideeëngoed van twee andere 'meesters van het
wantrouwen' leiden: Marx en Freud. Daar beiden de
verleiding van het identificerende denken niet
konden weerstaan, behoudt hij ten aanzien van hen
een kritische distantie. De inzichten van Freud
waren al in 1967 in het uitgebreide essay Présentation
de SacherMasoch indirekt aan de kaak
gesteld. In L'AntiOedipe is het vooral de
structuralistische interpretatie van Freuds werk
door Lacan die het moet ontgelden. Doelwit van
Deleuze en Guattari is daarbij de nagenoeg
onuitroeibare gedachte, dat zowel de economie als
ons verlangen zich vanuit een tekort definiëren.
Presenteert het identiteitsdenken het subject of
welke omvattende identiteit dan ook , eenmaal
gevrijwaard van schaarste of gemis, als de motor
van zowel de economie als het verlangen, bij
Deleuze en Guattari verschijnt het nog slechts als
een restprodukt. Het subject of het Ik is eveneens
het resultaat van allerlei 'of-of' of disjunctieve
operaties, waarbij altijd één mogelijkheid wordt
uitgesloten. Iedere inbreuk op zijn integriteit,
ingegeven door een overvloedige lust die zich aan
alles hecht en dus in plaats van 'of dit of dat'
steeds 'en dit, en dat' zegt wordt als subversief
of pervers gemarginaliseerd. Geheel in
overeenstemming met dit grondprincipe van de
burgerlijke waren en lusteconomie beogen marxisme
en psychoanalyse de verspillende overvloed van
anarchistische verlangensstromen te reguleren of
om met Foucault te spreken, met wie Deleuze een
tijd intensief samenwerkt en aan wie hij in 1986
na diens dood het boek Foucault wijdt: te
normaliseren en te disciplineren. Marx denkt de
economische dynamiek vanuit de Staat, terwijl
Freud het 'machinale' karakter van het verlangen
met zijn koppelingen in de theatrale voorstelling
van Oedipus insluit. Als tegenbeeld van een Ik,
dat door deze identificaties wordt geproduceerd,
presenteren Deleuze en Guattari een levensstijl
van vrolijke, nietgetraumatiseerde, nomadische
schizo's. Dat zij zich met hun kritiek op de
identiteit en hun pleidooi voor een decentrerende,
subversieve lusteconomie naar de politieke
ontwikkelingen van hun tijd voegen, laat zich
raden. Immers, in de turbulente periode rond 1968,
waarin iedere autoriteit het mikpunt wordt van
kleinschalige subversie, wordt in andere
maatschappelijke tegenbewegingen, zoals het
feminisme en de homobeweging tegelijk het lichaam
als een broeinest van grensverleggende lusten en
een nietfallocentrisch gericht verlangen
'ontdekt'. Anders dan freudomarxisten als Marcuse
en Fromm die nog een synthese tussen het
marxistische en freudiaanse gedachtengoed, tussen
het denken van de macht en van het verlangen
beogen, tonen Deleuze en Guattari hoe deze
krachtenverhoudingen principieel aan hun
representaties ontsnappen. In die zin ondermijnen
ze impliciet een sluitende theorievorming, zelfs
die van henzelf, hetgeen hun schrijven een
aporetisch karakter verleent. Dit besef zet hen er
echter toe aan hun begrippen voortdurend los te
laten of te transformeren, wat tevens in
overeenstemming is met hun methodisch
uitgangspunt: het genereren van veelheden en
verschillen.
2. Deleuzereceptie in
Nederland
Door L'AntiOedipe dringt Deleuzes naam in
Nederlandse filsofische kringen door. Aan het
begin van de 80er jaren wordt er in een
dissertatie, enkele hoorcolleges en werkgroepen,
soms zelfs in een afstudeerscriptie aandacht aan
geschonken. Een voorzichtige aanzet tot een
Deleuzedebat in het blad Krisis loopt
echter op niets uit. Wel verschijnen er in deze
gloriedagen van krakend en demonstrerend Nederland
twee vertalingen van korte artikelen: 'Pensée
nomade' over Nietzsche bij de SUN en 'Rhizome'
door de Nijmeegse uitgeverij de Spreeuw. In dit
laatste, meer programmatische essay kritiseren
Deleuze en Guattari het cartesiaanse beeld van het
denken als zou dit zich als een goed gewortelde
boom in vertikale richting op laten we zeggen:
binaire wijze vertakken. Zij openen daarentegen
zicht op de uiterst diverse structuren van wat nu
'nomadische denkvormen' genoemd worden: allerlei
vluchtlijnen doorkruisen dit cartesiaanse denken.
Deze subversie dient zich bij uitstek in literaire
teksten aan. In Kafka Pour une littérature
mineure (1975) tonen zij hoe bij Kafka een
denken resoneert dat zich niet meer boomachtig,
maar rhizomatisch vertakt. Dit nomadische denken
ontwikkelt zich als een wortelstok: ondergronds en
horizontaal naar alle kanten. Op onverwachte
momenten en plaatsen schiet het boven de grond
uit. Subversie, veelheden, verschil, dynamiek en
horizontaliteit zijn de kenmerken ervan. 'Rhizome'
is de introductie op Mille Plateaux
(1980), het tweede deel van Capitalisme et
Schizophrénie. De merkwaardige compositie en
complexe schrijfstijl vloeien niet alleen voort
uit de veelheid van gehanteerde invalshoeken, maar
komen tevens tegemoet aan de eis de
identificerende werking van het filosofische
vertoog open te breken. Mille Plateaux
biedt hoofdstukken aan als 'plateaux', die los van
elkaar gelezen kunnen worden. Neologisme stapelt
zich op neologisme, metaforen gaan nagenoeg zonder
overgang in elkaar over als betrof het een
metamorfose en de diverse vakgebieden worden
moeiteloos doorkruist. De grens tussen begrip en
beeld, tussen argument en retoriek vervaagt. Zo
wordt de lezer tot allerlei gedachtenexperimenten
verleid. Deleuze biedt evenals Foucault zijn
denken als een gereedschapskist aan, waaruit de
lezer naar believen kan putten.
3. Recente vertalingen
Recentelijk zijn er bij Kok Agora dan toch een
tweetal vertalingen verschenen: Dialogen
(1991) en Het denken in plooien geschikt
(1992). De eerste tekst, die oorspronkelijk het
karakter van een interview had, is als doorlopende
tekst verwerkt, omdat volgens Deleuze "vragen te
beantwoorden niet het doel is, maar te ontkomen,
eruit te komen"(17) en "de vraagantwoord methode
gemaakt is om dualismen te voeden"(41).
Inhoudelijk kritiek op het identiteitsdenken
bepaalt opnieuw de vorm van zijn betoog. De
tegenstelling tussen inhoud en vorm wordt in de
'stotterende' schrijfstijl, in het "en, en,
en"(60) door "koppelingen, die (de schrijver)
hebben bedacht"(85) ontwricht. Deleuze wil denken
zoals het gras groeit. In hoofdstuk I zet hij de
stilistische strategie om 'de binaire machine' te
ontmantelen uiteen, terwijl in hoofdstuk III
uitgebreid op L'AntiOedipe wordt ingegaan.
Maar het zijn vooral de weliswaar sporadische,
maar hoogst intrigerende opmerkingen over
"microfascismen die in het sociaal veld
bestaan"(205), uitgewerkt in hoofdstuk IV getiteld
'Politieken', die deze vertaling plotseling een
meerwaarde geven. Precies in het buiten werking
stellen van de dichotomie fascistischanarchistisch
blijkt L'AntiOedipe actuele betekenis te
krijgen. Keer op keer benadrukt Deleuze de
beweging van het denken. Hij wil "denken in termen
van gebeurtenis"(104) en dit uitdrukken in een
schrijven als 'worden'(74). Omdat filosoferen zich
in tegenstelling tot de wetenschappen niet op
resultaten richt, gaat het hem niet om het begin
of het eind, maar om de weg zelf of het midden.
Deze Zentoon wordt expliciet als hij opmerkt, dat
"het ons over het algemeen echt aan een
Oriëntdeeltje, een Zenkorrel ontbreekt"(138).
Deleuzes veelvoudige invallen doen de binaire
machines overstromen. Affiniteit met de thematiek
van Baudrillard, Virilio en Sloterdijk klinkt soms
door in een opmerking als: "wat je zoëven
gebrekkig charme of stijl noemde, dat is
snelheid"(57). De waardering voor "de
superioriteit van de EngelsAmerikaanse
literatuur", onderwerp van hoofdstuk II, wordt
niet onder stoelen of banken gestoken. De kracht
ervan ligt precies in de 'deterritorialisaties',
in het schetsen van "die breuken, die personages
die een vluchtlijn scheppen (...): alles is bij
hen vertrek, worden, passage, sprong, demon,
betrekking met het buiten"(65), terwijl de
Europese literatuur nog door het spookbeeld van de
geschiedenis wordt achtervolgd. Telkens weer moet
de balans worden opgemaakt, moet de tijd, het
worden en daarmee het experiment worden
afgesloten. Wat na deze herformulering van
filosoferen van het begrip of concept overblijft,
wordt in Dialogen niet systematisch
uitgewerkt. Terloops wordt wel opgemerkt dat "de
kleinst reële eenheid niet het woord, noch het
idee of het concept is, noch de betekenaar, maar
de koppeling"(85). Deze koppeling van concepten
met beelden en affecten is wel het onderwerp van
het opnieuw met Guattari geschreven Qu'estce
que la philosophie (1991) en van Het
denken in plooien geschikt. In deze
vertaling van het hoofdstuk 'Philosophie' uit het
in 1990 gepubliceerde Pourparlers
(Onderhandelingen), een bundeling van interviews
over de periode 19721990, werkt Deleuze met name
de relaties tussen filosofie, kunst en
wetenschappen uit. Deze uitwerking is hem
blijkbaar ingegeven door publikaties na Mille
Plateaux. Naast Logique de la sensation
(1981), een monografie over het werk van de
schilder Francis Bacon, waarin de perceptie en de
affectieve impact van diens werk wordt
geanalyseerd, betreft dit een tweetal boeken over
het filmmedium L'Imagemouvement(1983) en L'Imagetemps
(1985) en Périclès et Verdi (1988).
Deleuziaans filosoferen deelt met de kunst het
creatieve moment: "Filosofie is niet
communicatief, ook niet contemplatief of
reflexief: zij is op zich creatief of zelfs
revolutionair, voor zover zij doorgaat nieuwe
concepten te cre-----ren"(34/5). Creëren is niet
communiceren, "maar weerstand bieden"(45) aan
verkalkte identificaties. Precies deze weerstand
ervaart de onbevangen lezer als "elk nieuw denken
(...) ongekende voren in de hersenen trekt, zij
verbuigt, plooit of splijt deze"(54). Het is dit
zich alsmaar plooiende denken dat Deleuze bij
Leibniz herkent. Blijkbaar gaat ook Deleuze in
zijn moderniteitskritiek terug naar de Barok.
Interpreteert de lezer de weerstand als de
onzuiverheid van de concepten, dan gaat hij
voorbij aan het feit, dat "affect, percept en
concept drie onafscheidelijke krachten zijn. Zij
gaan van de kunst naar de filosofie en
omgekeerd"(36). Het shockelement en een beeldende
ervaring voeren het concept steeds weer voorbij
zijn afgebakende grenzen. Het percept is daarbij
geen voorstelling, maar "pakketjes gewaarwordingen
en relaties die degene die ze ervaart overleven",
terwijl het affect meer is dan louter gevoel: het
zijn "wordingen die degene die erdoorheen gaat
overstelpen"(35). Het denken denkt de denker. De
alsmaar bewegende conceptualiteit, dit in
versnelling geraakte plooien en splijten van
concepten is de stijl, waarover hij in de brief
aan Réda Bensmaïa, waarmee de bundel eindigt
opmerkt: "De stijl in de filosofie is gericht op
de volgende drie polen: het concept of de nieuwe
manier van denken, het percept of de nieuwe manier
van zien en horen, het affect of de nieuwe
manieren van ondervinden"(77/8). Poogt Deleuze met
zijn filosoferen uit de verlammende impasse waarin
niet alleen filosofen, maar ook kunstenaars en
politici verzeild zijn geraakt te breken?
Misschien. In ieder geval vermijdt hij met zijn
nieuwe 'beeld van het denken'(53) antwoorden op of
oplossingen voor oude problemen te geven. De enige
oplossing die hij aanbiedt, is die van een te
gefixeerde blik. Door het denken weer aan de
verbeelding en aan het lichaam uit te leveren
wordt duidelijk dat wij misschien wel gevangenen
zijn van verkeerd gestelde vragen. Eenmaal uit de
vraag ontsnapt en zich op een vluchtlijn bewegend,
staat ieder 'wel'denkend individu voor de opgave
samen met anderen in de nieuwe ruimte nieuwe
trajecten uit te stippelen.
|