1 Leven en werk: god, geweld
en verspilling
Het literairfilosofische leven
van Bataille en de vierde avantgardistische golf
bestrijken nagenoeg dezelfde tijd. Zijn
weerbarstige schrijfarbeid valt samen met de
geschiedenis van de avantgarde als "de tweede
natuur van de moderne kunst", van Dada tot
NeoDada. Op een essayistische cultuurkritiek in de
dertiger jaren volgt een tegendraadse verwerking
van Nietzsche's gedachtengoed tijdens de oorlog,
die uitmondt in een toepassing van de daarin
opgedane inzichten op het terrein van politiek,
economie, kunst en erotiek in de jaren vijftig.
Het erotischpornografische werk in de vorm van een
vijftal romans is een nauwelijks zichtbare, maar
duidelijk voelbare onderstroom in heel het oeuvre.
Tussen de ontwikkeling van zijn ideeëngoed en
avantgardistische kunstpraktijken bestaat, zo zou
ik willen beargumenteren, echter meer dan een
louter door tijd gekleurde relatie. In zekere zin
is dat wat Bataille filosofisch motiveert precies
de paradox die kenmerkend is voor de
verontrustende 'arbeid' van de moderne artistieke
voorhoede. Deze bestaat hieruit dat de ervaren
noodzaak om, op zoek naar het absolute in een
goddeloze moderne wereld, iedere conventie en
traditie te vernietigen samengaat met het
tragische besef dat deze poging onvermijdelijk tot
nieuwe conventies, tradities of in het geval van
de moderne kunst: stijlen zal leiden. Bataille
weet zichzelf als theoreticus uitgeleverd aan
dezelfde paradox: het denken kan het leven niet
sluitend vatten en toch rest het niets anders dan
telkens weer te pogen er begrippelijk greep op te
krijgen. Als het er al vat op krijgt, dan niet in
een begrippelijke omvatting maar in een ervaring
van de grenzen van het denken. Deze 'innerlijke
ervaring' zoals Bataille het noemt, is het
kernstuk van zijn denken:
"Ervaring noem ik een reis naar
het einde van het menselijk mogelijke. Niemand
hoeft deze reis te maken, maar als men het doet,
veronderstelt dat een ontkenning van de
autoriteiten, de bestaande waarden die het
mogelijke begrenzen. Doordat zij ontkenning van
andere waarden, andere autoriteiten is, wordt de
ervaring, die immers een positief bestaan heeft,
zelf op positieve wijze de waarde en de
autoriteit. (De paradox in de autoriteit van
de ervaring: gebaseerd op het vraagteken, zet zij
een vraagteken achter de autoriteit; positief
vraagteken, want de autoriteit van de mens kan
omschreven worden als een vraagteken achter
zichzelf."
Evenals dit in
avantgardepraktijken het geval is, ondergraaft
Bataille door dit besef van een principiële
ontoereikendheid zijn eigen theoretische posities.
Evenals de avantgardekunst leeft zijn denken als
het ware van zijn eigen onmogelijkheid.
a. religiositeit en het
geweld van het offer
Om enige greep op Bataille's
opmerkelijke visie op de relatie tussen moderne
kunst of avantgardepraktijken in strikte zin en
zijn schrijfpraktijk, c.q. manier van denken te
krijgen kies ik voor een biobibliografische inzet.
Ik hanteer deze echter niet om zijn inzichten tot
zijn wellicht enigszins perverse affecten te
reduceren. Uitsluitend om de verstrengeling van
leven en werk, eveneens zo kenmerkend voor de
avantgardekunstenaar, scherper in beeld te brengen
veroorloof ik mij deze aanpak. Ik ga terug naar
het moment waarop zich in het leven van Bataille
op 25jarige leeftijd een existentiële crisis
voordoet, die de aard van zijn gedachten misschien
beslissend heeft beïnvloed. Als zoon van een lage
ambtenaar, die hij als kind in het laatste stadium
van een progressieve syfilitische aandoening
meemaakt blind, lam en dementerend laat de in een
atheïstisch milieu opgegroeide jongeling zich op
17jarige leeftijd dopen om vervolgens de weg van
het priesterschap in te slaan. Bij de evacuatie
van Reims in 1914 moet hij zijn vader achterlaten
en vlucht hij weg met zijn suïcidale moeder. De
enigszins misantrope jongeman doorloopt, nadat hij
in 1917 voor een tuberculeuze aandoening uit de
militaire dienst is ontslagen, het seminarie. Hij
schrijft daar zijn eerste tekst over de door
Duitse bommen beschadigde kathedraal van Rheims.
Bij het lezen lijkt het alsof je op een
bananeschil zit te kauwen: kurkdroge kost, die
zijn schoolvriend André Masson laatdunkend als
'romantisch, sentimenteel en devoot' kenschetst.
Toch getuigt deze vroegste tekst reeds van zijn
latere fascinatie voor de relatie tussen geweld,
kunst in de vorm van architectuur en het sacrale.
Als hij in 1922 ter afsluiting van zijn studie
voor verder wetenschappelijk onderzoek in Madrid
verblijft, blijken stieregevechten en
flamencoclubs een grotere aantrekkingskracht op
hem uit te oefenen dan de bibliotheek. Bataille
ontdekt de zelfkant van het bestaan. Niet alleen
laat de dood van de torero Granero een
onuitwisbare indruk achter diens oog wordt
doorboord door een hoorn van de stier, welke
gebeurtenis in Bataille's eerste, als verwerking
van een diepgaande psychoanalyse geschreven,
pornografische roman Histoire de l'oeil
een sleutelrol vervult ook breekt een inzicht door
dat zijn intellectuele arbeid duurzaam zal
bepalen: de aanblik van de dood stuit mensen niet
alleen tegen de borst, zij worden er tevens door
gefascineerd. Mensen genieten blijkbaar van de
huivering, van de horror. De geritualiseerde
doding van de stier heeft wel wat weg van een
traditionele offering, waarbij de toreador de
plaats van de priester inneemt. Dit
pseudoofferritueel stoot af en trekt aan,
fascineert en wekt weerzin, is pijnlijk en biedt
genot. De strikt georganiseerde doding van de
stier biedt de aanwezigen misschien wel
kortstondig een ervaring van de dood zonder er
zelf aan te sterven. Deze doodservaring in het
leven, zo zal Bataille later schrijven, maakt niet
alleen de grenzen van het leven ervaarbaar, maar
smeedt de aanwezigen tevens samen tot een hechte,
maar explosieve gemeenschap. Het is het
gewelddadige en letterlijk ontzettende karakter
van deze ambivalente grenservaring dat Bataille
later in werken van avantgardekunstenaars zal
herkennen.
b. verspilling en
gemeenschapservaring
Bij terugkomst is Bataille's
mystieke wereldverzaking omgeslagen in een vrolijk
sensualisme. Zijn hang naar het hogere is
getransformeerd tot een fascinatie voor de
scandaleuze aspecten van het menselijke bestaan.
Met het lezen van werken van Dostojevski en
Nietzsche's Voorbij Goed en Kwaad komt er
definitief een eind aan zijn religieuze ambities.
Gefascineerd door offerpraktijken volgt hij in
1925 college's bij de ethnoloog Marcel Mauss, die
bij NoordAmerikaanse Indianenstammen onderzoek
naar het potlatchritueel had verricht. In dit
ritueel vernietigen vooraanstaande leden van de
gemeenschap hun kostbaarste bezittingen ten
overstaan van rivalen, die hen vervolgens moeten
overbieden. Dit bloedserieuze spel van verspilling
en uitdaging zal door menig westers individu als
barbaars blufpoker worden afgedaan. Bataille's
blik wordt er echter door veranderd. Hij ziet het
positieve effect van dit gewelddadige
verspillingsritueel: de geënsceneerde, collectieve
vernietiging sticht een nieuwe rangorde en vestigt
zo een produktieve gemeenschap. De rivalen worden
immers een jaar lang aangezet nieuwe goederen te
produceren en bezittingen te accumuleren om in een
volgend ritueel hun positie te bestendigen.
Gewelddadige verspilling, concludeert Bataille,
blijkt zowel de motor van de economie als de
mogelijkheidsvoorwaarde van een gemeenschap.
Geleidelijk aan ontvouwt zich een visie op het
menselijke handelen waarin het offer centraal komt
te staan en het geweld van de overschrijding van
verboden geen marginaal, maar een structureel
gegeven wordt. Het ritueel van de archaïsche mens
zet zich voort in de premoderne samenlevingen
waarin het sacrale en de gemeenschappelijke
ervaring ervan nog steeds indirekt menselijke,
maar vooral materiële offers vereist: pyramides,
kathedralen en paleizen worden ten koste van
immense opofferingen ter meerdere glorie van het
goddelijke of zijn aardse representanten gebouwd.
Al dan niet heilige oorlogen worden eveneens met
dit oogmerk gevoerd, ook al spelen strategische en
economische belangen daarin natuurlijk eveneens
een rol. Bataille veronachtzaamt deze laatste
aspecten niet, maar hij wil vooral een voor
moderne ogen onzichtbare, mythologische dimensie
vrijmaken. Aan dit inzicht verbindt hij radicale
consequenties. Het biedt hem de mogelijkheid om de
burgerlijke, door kostenbaten analyses gekenmerkte
samenleving met haar spaarzame accumulatie en haar
geweldsexcessen te kritiseren. Daartoe maakt hij
een onderscheid tussen een beperkte economie
en een algemene economie. De eerste is een
economie die op nut, tekort en efficiency is
gebaseerd. Deze wordt gecontrasteerd met een
verspillings of algemene economie van de
overvloed. In het verspillen herkent hij de
menselijke behoefte grenzen van het alledaagse en
het vanzelfsprekende te overschrijden om in deze
subversie een bevrijding of zelfs een nieuwe
gemeenschap te ervaren. Dit ogenschijnlijk
apolitieke inzicht het gewelddadige offer, dat wil
zeggen de overschrijding van het verbod te doden,
(be)vestigt de gemeenschap krijgt tegen het licht
van sociaalpolitieke ontwikkelingen van de
twintiger en dertiger jaren onverwacht een
pregnante betekenis. Niet alleen wordt duidelijk
waarom iedere revolutie, ieder geloof martelaren
nodig heeft, het pleit tevens voor de stelling dat
een geschonden gemeenschap slechts door de
uitstoot of de offering van het door haar
verfoeide deel la part maudite haar
samenhang kan herstellen. In het verlengde van
deze politieke implicatie ligt bovendien een
radicaalethische eis: de onmiskenbare betekenis
van martelaren voor een gemeenschap getuigt ervan
dat het ultieme offer het op het spel zetten van
het eigen leven een waarde vestigt die maatgevend
is. Door dit offer in rituelen te reproduceren
bevestigt een gemeenschap iedere keer weer zijn
samenhang. Niet alleen Christus' kruisdood en de
wekelijkse eucharistieviering krijgen vanuit dit
nogal onchristelijk perspectief een andere
betekenis, ook kruistochten, ketterverbrandingen
en banvloeken blijken plots meer dan marginale
verschijnselen. Terwijl het christendom het
heidense offergeweld letterlijk te vuur en te
zwaard bestreed, is het blind gebleven voor de
structurele betekenis van dit naar buiten
gerichte, gemeenschapsstichtende geweld. Naar
binnen worden deze subversieve krachten door
rituelen en ceremonieën gekanaliseerd: in het
traditionele carnaval, de rechtmatige erfgenaam
van de heidense saturnalia, vond het een
mogelijkheid de behoefte aan overschrijding te
neutraliseren. Dit alles toont voor Bataille aan
hoe zelfs de christelijke gemeenschap, die in het
medelijden en in de charitas het geweld meende af
te zweren toch in en van het geweld leeft. Dit
inzicht in de verstrengeling van religie en
politiek weet Bataille vervolgens op actuele
verschijnselen toe te passen. Zijn kritische
houding ten aanzien van het totalitaire stalinisme
en zijn analyse van het opkomend fascisme, twee
moderne pogingen om op grootschalige en
pseudorituele wijze een nieuwe gemeenschap te
realiseren worden eveneens door deze voor velen
verbluffende, want hoogst ongemakkelijke inzichten
ingegeven. Het offer blijkt zowel fundament van de
moraal als grondslag van een politieke orde te
zijn.
c. de overschrijding en het
sacrale: religie en subversiviteit
Het inzicht in de
gemeenschapsstichtende functie van het offer
breekt echter pas door als Bataille in 1928 in
Parijs een overzichtstentoonstelling ziet over
Precolombiaanse samenlevingen, waaronder die van
de Azteken. Ook hier blijkt het offerritueel de
motor van het economisch proces. In deze
prechristelijke cultuur krijgt het mensenoffer nog
betekenis tegen het licht van een kosmologische
orde. De Azteken geloofden namelijk, dat zij van
een godheid afstamden die zichzelf in het vuur had
geworpen om hen het leven te schenken. Dit
zelfoffer moest voortdurend herhaald worden om de
menselijke gemeenschap in leven te houden. De
kosmologische betekenis van offerrituelen wijst
erop, dat de ervaring die beoogd wordt niet zozeer
die van de dood is, alswel die van een hogere,
sacrale soevereiniteit. Deze vormt het fundament
van de gemeenschap. Contact met deze sfeer vindt
plaats in een grensgebied, een niemandsland tussen
het wereldse en het sacrale. In de collectieve
extase die de gemeenschap daarbij kortstondig ten
deel valt, ervaart zij door bemiddeling van
mensenoffers die bij de Azteken als oorlogsbuit
werden meegevoerd en door de overschrijding of transgressie
van het verbod op het doden, de aanwezigheid van
het wezen waarvan ze menen af te stammen. In
andere culturen kunnen dit totemistische dieren,
voorouders of mythische goden zijn. Dit alles
brengt Bataille ertoe te beweren dat de
overschrijding eerder dan een vernietiging de
absolute bevestiging van verboden is. Hij verbindt
hieraan de gedachte dat de diepste drijfveer van
de religie principieel subversief is. Tenslotte
mondt dit uit in het inzicht dat subversiviteit
(overschrijding van de verboden) en een
grenservaring of een ervaring van een sacrale
soevereiniteit onlosmakelijk met elkaar zijn
verbonden. Bataille's vroege katholieke bevlieging
en zijn fascinatie met stieregevechten komen
uiteindelijk samen in een voor een moderne
wetenschapper nagenoeg ondragelijk inzicht:
gemeenschap dus ook de moderne op kritische
rationaliteit gefundeerde, politieke gemeenschap
is slechts mogelijk in een weliswaar bemiddeld,
maar altijd gewelddadige contact met een
bovenmenselijke sfeer, dat verkregen wordt door
een tijdelijk verlies van de greep op of begrip
van de wereld. Was deze doorbreking van de
alledaagse wereld van de verboden in de premoderne
tijd echter nog onderworpen aan een strikte
regulering van het ontketende geweld het ritueel
was in tijd en ruimte begrensd, terwijl alle
handelingen en uitspraken van tevoren waren
vastgelegd in de moderne tijd verdwijnen met god
de gewelddadige rituelen. De cultuurkritische
impact van Bataille's visie ligt hierin dat in de
moderne tijd, waarin een rigide ontmythologisering
en secularisatie heeft plaatsgevonden de
gemeenschap onmogelijk is geworden. De onttakeling
van de rituelen die uitmondt in het dood verklaren
van God heeft echter de behoefte aan
gemeenschap nooit weggenomen. De paradox waar
Bataille de vinger op legt is dus de volgende: de
onmogelijkheid èn noodzakelijkheid van een
gemeenschapservaring leidt tot een continue
gewelddadige overschrijding van bestaande grenzen.
Zodra dit geweld in de moderne wereld niet meer
geritualiserd kan worden, kan dit en hier situeert
Bataille de effecten van zowel de kapitalistische
expansiepolitiek als de geweldsexcessen van het
fascisme en stalinisme slechts tot catastrofale
geweldsexplosies leiden.
2. Kunst en erotiek als
cryptorituelen
Parallellen met het ideeëngoed
van de avantgarde zullen zich reeds onwillekeurig
hebben opgedrongen. Allereerst delen beide een
kritische distantie tot de burgerlijke nutsmoraal.
De vernietiging van de klassieke traditie die
daaruit vortvloeit, is een strategisch primaat,
maar zij leidt onvermijdelijk tot nieuwe
'tradities' in de vorm van stijlen. Deze paradox
van de onmogelijkheid en de noodzakelijkheid hangt
samen met een veranderde rol van de kunst. Zij is
in de moderniteit niet meer louter middel, maar
een doel op zich geworden: kunst biedt een
ervaring van grenzen. Deze grenservaring die, naar
het zich aan de virulente reacties van de
toenmalige bezoekers van de Salons laat afmeten
hoogst gewelddadig was, heeft overduidelijk een
ontregelend karakter. In tegenstelling tot de
geësthetiseerde politiek van het fascisme dat de
staat als Gesamtkunstwerk wil realiseren en tot de
gepolitiseerde kunst van het communisme waar kunst
nog slechts de heldhaftige strijd van het
proletariaat mag representeren, kortom in
tegenstelling tot de opvatting dat kunst in
politiek opgaat en als zodanig louter middel is,
is de door deze staten respectievelijk als
'entartete' of 'bourgeois'kunst afgewezen
avantgardekunst bij uitstek subversief en autonoom
in haar ontkenning van ieder systeem. Maar het
gaat Bataille niet om deze beperkte politieke
functie. Voor hem is avantgardekunst één van de
twee bevoorrechte sferen waarin in een moderne,
goddeloze wereld nog een geritualiseerde of beter:
gestileerde ervaring van gemeenschap mogelijk is.
Waarin, met andere woorden, een fundamenteel
geweld ingezet en bezworen kan worden. Het feit
dat veel figuratieve avantgardekunst, met name in
het surrealisme, een erotische lading heeft, is
een argument temeer voor zijn stelling dat naast
de kunst erotiek eveneens deze ervaring van het
geweld en de overschrijding biedt. Kunst en
erotiek zijn volgens hem dan ook verholen
ritualiseringen, in mijn woorden: cryptorituelen
waarin moderne individuen nog op gereguleerde
wijze de ontzettende werking van een verloren
samenhang, van een sacrale dimensie en
uiteindelijk van de dood kunnen ervaren. Dat hier
plotseling de dood naar voren treedt, heeft alles
te maken met de moderne situatie: na de dood van
God kunnen individuen dat wat hun leven overstijgt
en negeert nog slechts als hun persoonlijke dood,
hun principiële eindigheid concipiren. Zodra het
denken tot het uiterste gaat en zich over het
ondenkbare buigt, verliest het met zijn begrip
zijn greep: het raakt buiten zichzelf. Het wordt
extatisch.
a. poëzie als verspilling
Zijn inzicht in de aard van de
moderne kunst stoelt Bataille op een historische
analyse. De relatie tussen zijn meer theoretische
inzichten en enerzijds kunst, anderzijds erotiek
komt pas tot volledige wasdom in zijn vijftiger
jaren werk. In 1949 wordt deel 1 van zijn La
part maudite. Essai sur l'économie génerale: la
consumation gepubliceerd. Daarin ontvouwt
hij zijn theorie van de algemene economie, de
economie gebaseerd op de verspilling. Vanuit de
verspillingsnotie analyseert hij zowel de westerse
als nietwesterse samenlevingsvormen om tot de
conclusie te komen, dat verspilling een weliswaar
verkapte, maar niettemin doorslaggevende functie
in onze economie vervult: er wordt geaccumuleerd
om te verspillen. Een stelling die gezien de graad
van verslaving van vele individuen en de immense
oorlogsinspanningen van staten ook voor
nietbataillaans georinteerden wel enige
plausibiliteit zou kunnen hebben. Alleen in kunst
en erotiek komt de glorieuze verspilling expliciet
tot uiting. Kunst als luxe en sex om de sex zijn
slechts triviale uitdrukkingen van de gedachte dat
deze 'waren' omwille van zichzelf geconsumeerd
worden en dat individuen in de ontzettende
ervaring die daarin mogelijk is, zichzelf
verteren. Dan wordt consumptie (consommation)
'consumation': verteren, vernielen, verbranden,
verkwisten. Bataille hanteert de term 'economie'
dus in radicale en zeer ruime zin. Radicaal omdat
iedere consumptie of vertering uiteindelijk
zelfvertering wordt en ruim omdat het hier niet
alleen om de produktie, distributie en consumptie
van waren gaat, maar ook om die van waarden en
waarheden. In de moraal en de wetenschap heersen
ook algemeeneconomische 'wetten'. En inzoverre
kunst naast een waar ook een waarde
vertegenwoordigt of met specifieke nietdiscursieve
middelen een 'waarheid' toont, kan ook hier de
werking van algemeeneconomische 'principes' als
verspilling en offering worden teruggevonden.
Poëzie is voor de schrijver Bataille het
duidelijkste voorbeeld. Daar worden conventionele
betekenissen op het spel gezet en verspild. Op
onverwachte wijze kunnen er allerlei nieuwe
betekenissen ontstaan. Anders gezegd: poëzie is
gewelddadig in zijn vernietigende inwerking op
conventionele zinsstructuren en betekenissen. Zij
zet verschuivingen en verglijdingen in gang.
Bataille wijst tevens op de erotische dimensie van
de poëzie, op de perversie. Dit geldt niet zozeer
voor de inhoudelijke thema's van avantgardistisch
werk, alswel voor de vormexperimenten en de
uiteindelijke werking van kunstwerken in het
algemeen en gedichten in het bijzonder. Met
Baudelaire als exemplarisch geval voor ogen maakt
hij in La littérature et le mal (1957)
duidelijk hoe dwars door de inhoudelijke
perversiteiten ook betekenisstructuren worden
geperverteerd. De geshockeerde lezer wordt echter
in weerwil van zichzelf tot nieuwe werkelijkheden
verleid. Bataille wijst op de letterlijk
ontzettende werking van Baudelaire's gedichten.
Het autonoom willende subject pronkstuk van de
bewustzijnsfilosofie die de burgerlijke
samenleving schraagt wordt in zijn fascinatie voor
deze perversiteit uitgeleverd aan het kwaad. Met
deze poëzie als ultieme uitdrukking van kunst voor
ogen meent Bataille dat kunstpraktijken het geweld
waardoor moderne individuen voortdurend geteisterd
worden op nietcatastrofale wijze stileren en
reguleren, oproepen en bezweren, kortom:
ritualiseren. Dit geweld heeft vanzelfsprekend in
ieder artistiek medium een specifieke werking.
Beeldende, muzikale of theatrale middelen vereisen
een andere behandeling of beter: mishandeling dan
talige middelen. Dat Picasso, Schönberg, Artaud en
Eluard allen tot de avantgarde worden gerekend,
impliceert dat zij ondanks hun verschillende
artistieke media structureel eenzelfde
mishandeling uitvoeren op hun materiaal. Aan het
eind zal ik de vraag opwerpen of en in hoeverre er
in de theorie en het filosofisch schrijven
eveneens sprake is van dat wat ik voorlopig maar mediumspecifieke
wreedheid noem. Want als de invloed van de
avantgardekunst doorwerkt in Bataille's
filosoferen dan dient dit zich in een andere wijze
van schrijven en denken uit te drukken.
b. kunst en erotiek
De subversieve functie van de
erotiek is het uitgangspunt voor het in 1957
verschenen tweede deel van La part maudite:
L'érotisme. Daarin exploreert Bataille het
erotische gedrag door de eeuwen. Niet om de
zoveelste geschiedenis van de sexualiteit te
schrijven, maar om de relatie tussen dood en
erotiek vanuit het standpunt van de verspilling te
onderzoeken. In deze tekst komen veel verwijzingen
naar kunstwerken voor, zoals Baldung Griens De
dood omhelst een vrouw aan de rand van een open
graf. De naakte vrouw die van achteren door
de dood wordt omhelsd, huilt: het zijn de tranen
van Eros tevens de titel van Bataille's laatste
boek waarin genot en angst, fascinatie en weerzin
in elkaar overgaan. De 'obsceniteit' die deze
beelden aankleeft, krijgt in de moderniteit
vanzelfsprekend een geheel andere vertaling.
Daartoe hoeven we ons niet uitsluitend tot de
erotische verbeelding van Picasso of Masson te
beperken. Reeds Manets Olympia, de moderne
versie van een reeks onschuldige, premoderne
Venussen, deed menig burgerman en vrouw gruwen:
ondanks de iconografische verwijzingen werd deze
afbeelding van een Parijse hoer door hen als een
verwerpelijke overschrijding van de op leven en
produktie gerichte sexualiteit, dus als pervers en
obsceen ervaren. In 1955 verschijnen twee studies:
Manet en La peinture préhistorique.
Lascaux ou la naissance de l'art, in 1962 Les
Larmes d'Eros. In het laatste boek toont
Bataille, dat, ondanks een later ingezette,
stelselmatige verdringing van het verband tussen
erotiek en dood, deze relatie de menselijke
verbeelding vanaf diens vroegste geschiedenis
heeft beziggehouden. Bataille analyseert
vervolgens een bepaalde tendens in de geschiedenis
van de kunst met de bedoeling "het bewustzijn te
ontsluiten voor de overeenkomst tussen 'la petite
mort' (het orgasme) en de definitieve dood. De
overeenkomst tussen wellust, delirium en
grenzeloze afschuw".
3. Kunst, geweld en
soevereiniteit
Uit deze beschrijvingen wordt
duidelijk dat de mens reeds vóór de moderniteit
het 'medium' van de kunst heeft gehanteerd om het
transgressieve geweld zo te transformeren dat hij
het soevereine, transgressieve moment ervan kon
ervaren zonder er daadwerkelijk aan ten onder te
gaan. Kunst als tauromachia. Alleen stond de kunst
toen nog in een dienende functie: kerk, adel en
kooplieden waren doorgaans de opdrachtgevers van
kunstenaars. Met het wegvallen van deze
dienstbaarheid is eerst de kunstenaar, later het
kunstwerk autonoom geworden. Pas na het wegvallen
van een overspannende autoriteit kunnen
kunstpraktijken zich als structurele dragers van
een soevereine ervaring aandienen. Klassieke
kunstwerken hebben dus eerst getuigenis van de
soevereiniteit afgelegd in de vorm van
afbeeldingen, waarop het geweld en de macht
glorieus werden weergegeven. De premoderne kunst
ontleent zijn soevereiniteit aan de historische
gestalten ervan: de aardse machthebbers. Verleende
de kunstenaar de soevereiniteit haar beeldende
luister, de boven de arbeid verheven vorst of van
de meerwaarde levende soeverein liet op zijn beurt
kunstenaars in zijn soevereiniteit delen. Daarbij
werd de ervaring van kunstwerken dienstbaar
gemaakt aan de versterking van de bestaande
gemeenschap. Maar Bataille is niet geïnteresseerd
in de te letterlijke afbeeldingen van
soevereiniteit zoals Lodewijk XIV. De
zonnekoning van Rigaud. Hij is niet
geïntrigeerd door deze van alle geweld verstoken,
neutrale uitdrukkingen: "dit soort goedkope
soevereiniteit (...) roept nog geen duidelijk
bewustzijn op van de soevereine toestand als
zodanig", meent hij. Het gaat hem veeleer om de
impliciete verbeeldingen van een relatie tussen
erotiek, geweld en dood: van de beelden op de
wanden van Lascaux van de shaman met zijn
'erectie', via de reeds vermelde afbeeldingen van
Baldung Grien en Goya's laatste werken tot aan
Manets werk en de doeken van Picasso, de
surrealisten of van Balthus.
a. geboorte van de kunst:
het goddelijke, erotiek en geweld
"Twee beslissende gebeurtenissen
hebben de loop van de wereld gemarkeerd: de eerste
is de geboorte van het werktuig (of de arbeid); de
tweede de geboorte van de kunst (of het spel)."
Bataille ziet in de jachttaferelen van Lascaux de
geboorte van de kunst. Veelal wordt de nutswaarde
van de afbeeldingen benadrukt: zij zouden
anticiperen op een gunstige afloop van de jacht of
een verzoening met het gedode dier beogen. Het
gaat Bataille echter vooral om de verspillende werking
van de kunst en om de kunstpraktijk als
overschrijdende ervaring. Concreet: om kunst als
feest, waaraan de arbeidzame vervaardiging
ondergeschikt is. Kunst is voor hem een deel van
een overschrijdingsritueel, waarin zeker in het
geval van de archaïsche mens contact met een
sacrale sfeer werd nagestreefd. Kunst en erotiek
blijken in dit vroege stadium al met elkaar
verbonden. Het onbegrijpelijke geweld van sexuele
krachten werd blijkbaar in verband gebracht met
het mythische of het goddelijke. De geboorte van
de kunst in de grotten van Lascaux is daarom
tevens de geboorte van Eros. De huiver voor het
dierlijke brengt de tranen voort die met evenveel
recht aan het extatische lachen als aan het
hortende gesnik toegeschreven kunnen worden. Dit
erotische aspect komt naar voren in de weergave
van mannetjes met een erectie, de ithyfallische
wezens, op de wanden van de grotten. De
paleontische mens, meent Bataille, drukt via deze
fascinatie voor het erotische zijn betrokkenheid
op het sacrale uit. Het sexuele gedrag zou
inderdaad wel eens het grote mysterie kunnen zijn
waaraan de archaïsche mens buiten zijn wil om bij
tijd en wijle werd uitgeleverd. De krachten die op
dat moment vrijkomen kon hij slechts via een
vergelijking met het animale duiden. Het
ensceneren van deze krachten zou plaatsvinden in
het ritueel. Achteraf kunnen we stellen dat spel,
kunst en religie hier nog in elkaar overgaan. De
religiositeit waar Bataille op doelt, is
allereerst een huiverende overschrijding, die niet
plaatsvindt door afwezigheid van angst of door de
onmacht van het verbod, maar juist vanwege de
angst en als absolute bevestiging van de werking
van het verbod op sexuele gedragingen en op het
doden binnen de eigen gemeenschap. Deze
subversieve erotiek steekt in de geschiedenis van
de kunst telkens weer de kop op, zoals op
afbeeldingen die ons nog iets van de dionysische
mysteriëndiensten vertellen. De immense
fallussymbolen op Delos, de 'homoerotische'
afbeeldingen op Griekse en Romeinse schalen,
potten en vazen tonen dit spel, dat geïnspireerd
is door Dionysos. Niet voor niets is dit de god
van de extase, waanzin, wijn, vruchtbaarheid en
tenslotte van de dood. Dat deze dionysische
rituelen of de orfische mysteriëndiensten een
subversief element bevatten, blijkt ook hieruit
dat zij in tegenstelling tot andere diensten
eveneens hen die in de orde van de arbeid geheel
aan de op bezit gerichte macht onderworpen waren
dat wil zeggen slaven en vrouwen toeliet. Het
christendom tracht dit geweld uit te bannen. In de
strijd tegen het heidendom marginaliseert en
onderdrukt het dit subversieve aspect van een
sacrale erotiek als heidens en transformeert het
tot diabolisch kwaad. Droeg daarvoor het
mythischgoddelijke nog een gewelddadig element in
zich, uit het christelijkgoddelijke het Goede werd
van meet af aan ieder geweld uitgezuiverd. Ook in
de artistieke verbeelding is deze splitsing waar
te nemen. Geweld wordt altijd geassocieerd met de
duivel of de hel: de apocalyptische beelden die we
in de schilderijen van Jeroen Bosch, Dirk Bouts of
Rogier van der Weyden tegenkomen getuigen daarvan.
Het genot is uiterst gewelddadig en beladen met
schuld. Uit de overgeleverde beelden spreekt een
onmiskenbare fascinatie voor het geweld,
waarbinnen, zoals gezegd, een sterk erotische
geladenheid opvalt. Bataille wijst erop dat,
hoewel aan het eind van de Middeleeuwen deze
relatie nog expliciet kon worden weergegeven zoals
in Hans Baldung Griens De vrouw en de dood
en De liefde en de dood (Vanitas) , deze
in de daarop volgende periode verdwijnt of
enerzijds overgaat in een uitgesproken wreedheid
of een gexalteerde mystiek, anderzijds in de
beproefde mythologische verbeelding wordt
voortgezet. Tussen de eerste en de laatste bestaat
echter slechts ogenschijnlijk een tegenspraak.
Mythologische geweldplegingen zoals Rubens De
roof van de dochters van Leucippus vormen
slechts ogenschijnlijk een contrast met de
orgastische mystiek van Bernini's extatische
heilige van De extase van st. Theresa of
met de onafzienbare rij naakte Venusfiguren die
tot aan de negentiende eeuw worden geschilderd. Na
de Venusbeeldjes uit de Aurignacperiode wordt de
bezwangerde vrouwelijkheid veelvuldig weergegeven:
van de Venussen van Giorgione, Titiaan, Velasquez
via Goya's dubbelportret van Maja tot Manets
Olympia, waarin met de vermeende schijn van
heiligheid radicaal wordt afgerekend.
b. moderne kunst en
soevereiniteit: afstand doen van de macht
De artistieke verbeelding heeft
de soevereiniteit en haar banden met het
goddelijke en het geweld dus eeuwenlang
gerepresenteerd. Dit wellicht om voor de
onderdanen een duidelijk herkenbare identificatie
met het soevereine te bieden. Op het moment dat de
aardse soevereiniteit in de westerse wereld na de
Franse Revolutie instort, vindt er ook in de kunst
een kwalitatieve omslag plaats. Bataille is niet
de eerste die dit constateert, maar de wijze
waarop hij het uitwerkt, is hoogst interessant. Zo
wijst hij op het uitgesproken sadisme dat rond
1800 in de uitbeelding van concrete handelingen
van aardse machthebbers doorbreekt. In deze
verontrustende beelden vindt tegelijkertijd een
radicalisering van het soevereine geweld en een
afrekening met de genstitutionaliseerde
soevereiniteit plaats. Laat Sade in de eenzaamheid
van de gevangenissen zijn fantasie over de
activiteiten van prelaten en gezagsdragers de
vrije loop, Goya creert in het isolement van zijn
op latere leeftijd intredende doofheid een wereld
vol verschrikkingen: de excessen die tijdens de
bonapartistische bezetting van zijn land begaan
worden meet hij wandbreed uit. Hoewel
kunsthistorici er vooral op wijzen dat hiermee
voor het eerst een kunstenaar zijn individuele
emotie tot uitdrukking brengt, benadrukt Bataille
het feit dat kunstenaars voor het eerst zelf de
soevereine ervaring van de kunst opeisen. Hun
kunstenaarschap begint zich los te maken van de
representatie van de koninklijke, keizerlijke en
pauselijke soevereiniteit. Bij Goya wordt deze
eerst geïroniseerd en vervolgens meedogenloos aan
de kaak gesteld. Zijn werk wordt de uitdrukking
van een innerlijke soevereiniteit, die de 19e
eeuwse esthetici in het idee van het genie
theoretisch zullen onderbouwen. De moderne
kunstenaar wordt "niet langer de weg tot de
soevereine subjectiviteit versperd". Het eerste en
wellicht belangrijkste kenmerk van de autonomie
van de kunst ligt in de afstand van en tot de
macht: "De soevereine kunst is de weigering van
macht: dit houdt in dat zij van de politieke macht
afstand doet, terwijl zij de verantwoording voor
de leiding over de dingen aan henzelf overlaat."
De kunst ziet af van iedere onderschikking.
Afstand van de macht levert kunstenaars echter uit
aan een leven vol verguizing en ontbering: de
moderne bohèmekunstenaar en hier verschijnt
Baudelaire weer op het toneel trekt de gevestigde
macht in twijfel, lacht om prestige, maakt haar
belachelijk, maar verhongert of gaat ten onder aan
opium, absint of syfilis, kortom aan drugs, drank
of sex. Door het exces en de extase in te zetten
kunnen kunstpraktijken evenwel
maatschappijkritisch worden. Zij keren zich tegen
de burgerlijke orde: "Door macht is soevereiniteit
niet meer te verkrijgen. Pas in de eenzaamheid,
(...) pas als men in een gevoel van verlorenzijn
op de eenvoud van het onvermijdelijke
teruggeworpen is, treedt de hoogste waarde op de
voorgrond ...". Eerder dan om identificatie met de
macht gaat het om de intensiteit van een
soevereine houding, om een levensstijl. Bataille
schetst in Manet hoe een traditionele
kunstpraktijk tegen beter weten in tot een
soevereine ervaring wordt getransformeerd. Hij
moet daartoe een onderscheid maken tussen de Manet
die voortdurend op zoek is naar erkenning (l'artisan)
en de Manet die zich los van de wereld waar rang
en prestige heerst, overgeeft aan de kracht van de
dingen zelf (l'artist). De laatste is de
kunstenaar die slechts door gelijken erkend wil
worden, dat wil zgegen: zich in de subversie een
deel van een nog onbestaande gemeenschap weet. Het
verzet van Manet is echter 'een onpersoonlijke
subversie'. Met deze dubbelzinnige titel geeft
Bataille aan hoe de kunst haar verhalende karakter
verliest, hoe zij niet meer over de uiterlijke of
innerlijke wereld spreekt, maar over zichzelf
begint te vertellen. Hoe met andere woorden bij
Manet "de vernietiging van het subject ('sujet')"
als geschilderd onderwerp en als de subjectiviteit
van de schilder wordt ingezet. De dingen worden
niet meer gerepresenteerd maar presenteren
zichzelf in de bemiddelende activiteit van de
kunstenaar. Het kunstwerk wordt gaandeweg
autonoom, een wereld op zich. Gaat het er
aanvankelijk om de dingen te zien zoals ze zijn:
in hun bewegelijkheid, hun kleur, hun
lichtintensiteit, gaandeweg worden de
beeldmiddelen doek en verf steeds belangrijker en
treedt het experiment met de formele aspecten meer
en meer op de voorgrond. Ook de historiciteit van
het werk komt nu voor het voetlicht: citeren en
transformeren vervangt steeds meer het
ambachtelijk copiëren. Tenslotte is het vooral de
materialiteit van het medium die zich doet gelden:
kunstzinnig schilderen wordt werken met verf om
licht en beweging te vangen. In de stilerende
activiteit van dit verven wordt het geweld der
dingen niet zozeer geneutraliseerd als wel in haar
intensiteit opgeroepen en bezworen, zodat het voor
de toeschouwer als een dynamische ervaring
beschikbaar is.
c. het offer van de
traditie: Manet
Het verschil tussen Goya en Manet
is evident. Drukte Goya in zijn representatie van
een politiek feit in De 5e mei 1808 nog
zijn eigen verontwaardiging uit, Manet handhaaft
in zijn schilderkunstige weergave van de
terechtstelling van de Mexicaanse keizer
Maximiliaan, geïnspireerd door Goya's schilderij
een onmiskenbare afstand: zijn weergave getuigt,
ondanks de vele iconografische referenties, van de
onverschilligheid van iemand die slechts licht,
kleur en beweging schildert. Dit emotieloze
verslag van een haast achteloos voltrokken
politieke gewelddaad is volgens Bataille "de
ontkenning van de welsprekendheid ('l'éloquence'),
het is de ontkenning van de schilderkunst die zich
uitdrukt als een talig feit, een gevoel". Niet het
verhaal of het gevoel, maar de schilderkunstige
weergave als gebeurtenis staat centraal. Manets
houding kenmerkt zich door een bepaald soort
onverschilligheid, zowel ten aanzien van het leven
als tegenover de artistieke tradities. Ongewild
wekt zijn werk daarom grote beroering, soms zelfs
een schandaal. De siddering die bij de
aanschouwing van Olympia door de burgers
gaat, komt voort uit de weerzin die de
ontmaskering van de schijn van het voorheen
heilige de Venus van Urbino door een Parijse
prostituée oproept: de erotische geladenheid van
het onderwerp wordt door Manet niet meer door een
mythisch verhaal verhuld. In deze explicitereing
van de gewilde schijn van het heilige ontmaskert
hij de schijnheilige leegheid van de burgerlijke
samenleving die zijn eigen verspillingsrituelen
hoererij, gokken of dat wat geleidelijkaan
'leisure' is gaan heten niet onder ogen wenst te
zien. Venus is alleen als door deze profanisering
geschandaliseerd. Manet is gewelddadig juist door
de afwezigheid van ieder expressionisme, van ieder
gevoelsexces en door de benadrukking van het
alledaagse. Is Goya's wereld nog heilig en getuigt
zijn werk van de laatste poging de heiligschennis
verontwaardigd te tonen, de wereld van Manet is
van iedere sacraliteit ontdaan: het geeft nog
slechts de oppervlakkigheid van de burgerlijke
samenleving, van het geflaneer en de lege
pronkzucht weer. Het geweld wordt nu niet meer
gerepresenteerd, maar als schilderij
gepresenteerd. Het verhaal is verdwenen: "Manet
plaatste het beeld van de mens op het niveau van
dat van de roos of van de tulband". Iets sterker
gesteld: de weergave van een terechtstelling
verschilt in niets van die van een asperge.
Misschien is het eerder dan de afbeelding deze
onverschilligheid die burgers ontzet. Een
ontzetting die niet letterlijk genoeg kan worden
genomen: hun subjectiviteit dat wil zeggen: de
ervaring die zij van zichzelf hebben als
rationele, autonoom handelende individuen met een
samenhangende identiteit die gebaseerd is op een
lange politieke traditie en een gecultiveerde
smaak wordt in de Salons uiteengereten. Het
verlies van het subject is het letterlijke verlies
van de greep op en begrip van de geschilderde
wereld. Het werk past niet meer in het grote
verhaal, waardoor hun wereld, die daaraan zin en
samenhang ontleende, plotseling zinloos wordt en
fragmenteert. De Olympia als voorstelling
is echter naast de overschrijding van de traditie
en de breuk met conventionele zinssamenhangen
tevens een voorstel tot een andere blik op de
werkelijkheid. En dit geldt in dezelfde mate voor
de 'stijl' van schilderen die later bekend zal
staan als 'impressionisme'. Hierin en in de
stijlen die er op zullen volgen wordt elke
gevestigde dus door macht geïnvesteerde regel over
het juiste schilderen gebruuskeerd en ieder
welluidend verhaal dat daaromheen is gefabriceerd
onderdrukt. Bataillaans geformuleerd: Olympia
is een bloedserieuze parodie, waarin de traditie
verspild en tot dan toe geldende zinstructuren
geofferd worden. Weet Manet zich ten opzichte van
het geweld der dingen nog te handhaven door de
spanning tussen kunst en leven te stileren,
Vincent van Gogh gaat volledig aan de kunst ten
onder. In een summiere studie over Van Gogh
herdenkt Bataille diens heliotropisme: diens
fascinatie voor en beweging naar het zonlicht. Van
Goghs wens de bron van het licht, de zon, volledig
te vatten, ligt weliswaar in het verlengde van de
impressionistische intentie slechts beweging,
kleur en licht te schilderen, maar leidt door het
exces ervan tot zelfverminking en de dood. Vanuit
Bataille's optiek van het zelfverlies en het offer
krijgt Van Goghs poging om de grens tussen leven
en kunst te overschrijden een andere betekenis.
Diens leven laat de overgang van de bedwongen naar
de feitelijke waanzin zien, van een rituele naar
een catastrofale verspilling. Bij Van Gogh knapt
het koord dat tussen kunst en leven is gespannen.
Op zoek zijn naar God in een goddeloze wereld
blijkt catastrofale gevolgen te hebben. Bataille
probeert Van Goghs waanzin zo te beschrijven dat
hij aan de categorieën van de psychopathologie
ontsnapt. Is voor de moderne medische blik Van
Gogh nog slechts een psychopathologisch geval,
meer een psychose dan een subversie of
controverse, Bataille vat diens zelfverminking op
als een ongecontroleerd offer van een individu dat
zijn werk opdraagt aan een sacraliteit die geen
naam meer mag hebben. Van Goghs tragiek toont dat,
zodra kunst en leven niet meer elkaars begrenzing
en overschrijding zijn, zij elkaar wederzijds
opheffen. Als de ruimte van het ritueel verdwijnt,
kan een structurele 'neurose' snel tot waanzin
worden. Van Gogh is voor Bataille daarom tegelijk
offer en offeraar, die op catastrofale wijze met
de grens tussen subject en object, tussen leven en
kunst tevens zichzelf vernietigt.
4 Bataille en de avantgarde:
op de grens van de voorstelling en de abstractie
Na Van Gogh wordt het onder
hoogspanning staande koord tussen kunst en leven
de even smalle als paradoxale bestaansgrond van de
avantgarde. Na de 19e eeuwse bohemien dient de
revolutionaire avantgardist zich aan. Maar als
deze zich al met de wereld bezighoudt, dan is dit
niet om zijn medemens diens vermeende
'oorspronkelijke' betekenis en afkomst voor ogen
te toveren. Hij tracht eerder een nieuwe betekenis
van de wereld 'uit te vinden'. De realisering van
zijn kunstpraktijk gaat over in een stilering van
een leven, in een levensstijl. In die zin
vertegenwoordigt zijn kunst niets meer, zelfs niet
meer zijn innerlijke wereld. Als dat soms nog het
geval lijkt te zijn, zoals bij sommige
magischrealisten en surrealisten dan dient men te
bedenken dat deze voorstellingen een sfeer viseren
van waaruit de autonome wil van het subject op z'n
minst ter discussie wordt gesteld. Niet voor niets
speelt het gedachtengoed van Freud hier een grote
rol. Het moderne kunstwerk is een in zichzelf
verzonken samenhang geworden, die slechts vanuit
zichzelf zijn dynamische materialiteit en
historische situering en tegen het licht van een
existentiële praktijk begrepen kan worden.
Eeuwenlange gefixeerdheid op het
representatiemodel verleidt de toeschouwer of
hoorder er echter steeds weer toe iets buiten het
kunstwerk als diens laatste fundament te
veronderstellen: de intenties van de kunstenaar of
de waardering van de kunstwereld, kritici, kopers
of subsidiënten. Natuurlijk is een dergelijke
psychologisering of economisering mogelijk. Zij
kan zelfs uiterst leerzaam zijn als we iets te
weten willen komen over de zieleroerselen van het
schilderend individu of van marktprijzen, maar het
is de vraag of we daarmee de specificiteit van de
moderne kunst vatten. Bataille's oriëntatiepunt is
een ontzettende ervaring: zowel die van de
producentkunstenaar als die van de
consumentkijker/luisteraar. Het is deze
onmogelijke ervaring van een soevereiniteit die
het spanningveld tussen kunst en leven in stand
houdt. Het meest pregnant lijkt deze
soevereiniteit zijn uitdrukking te krijgen in de
abstracte kunst. Deze kunstwerken representeren
immers geen werkelijkheid meer, maar zij
presenteren zichzelf louter als op zich staande
werkelijkheden. Ze bieden geen voorstelling van
een reeds gegeven, maar voorstellen tot een in een
levensstijl te realiseren werkelijkheid. Echter,
verwijzingen naar abstracte schilderijen van
Malevitsj, Mondriaan of Pollock zullen we in
Bataille's teksten vergeefs zoeken. Dit hangt
wellicht samen met zijn fixatie op de grens en de
overschrijding: hij blijft zich evenals Picasso op
de grens tussen de voorstelling en het
onvoorstelbare, tussen het concrete en het
abstracte bewegen. Het gaat hem meer om de
merkwaardige frictie die deze verglijding oproept,
meer om een spanning dan om de oplossing. Slechts
in een ervaringsmatige, laten we zeggen:
experimentele resonantie kan een wereld voorbij de
beelden doorwerken. De overschrijding van de
representatie leidt daarom hoogstens tot het
gebroken beeld, zoals het uitspreken van de
ondenkbare grond van het menselijke bestaan het
gebroken woord en het hortende spreken oproept. In
de 'innerlijke ervaring' die daarvan het resultaat
kan zijn verdwijnt kortstondig zowel het object
(schilderij, gebouw, tekst, compositie, beeld,
dans) als het subject (kunstenaar, beschouwer,
lezer). Zij raken in letterlijke zin en op
nietdramatische wijze buiten zichzelf: in extase.
5 Experimenteel filosoferen:
tussen waarheid en metaforiek
De vraag dient zich nu aan in
hoeverre Bataille zich in zijn
literairfilosofische arbeid de algemeeneconomische
principes eigen maakt die hij in de werking van
kunstpraktijken en in de erotiek meent te
herkennen. Met andere woorden: hoeveel kunst zit
er in zijn filosoferen? Om te laten zien hoe
filosofie en kunst want daar gaat het hier
tenslotte om elkaar op nietreduceerbare wijze
kunnen versterken, hoe verbeelding en
begrippelijkheid elkaar dus wederzijds beïnvloeden
zou een grondige analyse van zijn meer
theoretische teksten noodzakelijk zijn. Binnen de
beperkte ruimte die mij hier geboden wordt, wil ik
mij ter afsluiting slechts tot enkele
hoofdkenmerken beperken. Reeds aan het begin wees
ik erop dat ieder medium het geweld van de
overschrijding op een andere manier vormgeeft of
stileert. De vraag is dus: hoe uit zich in
Bataille's medium, de literairfilosofische taal,
de mediumspecifieke wreedheid eigen aan de
verspilling? Dit kan geïllustreerd worden door een
verwijzing naar zijn schijfwijze, zijn schriftuur
en naar de ervaring van menig onvoorbereide, op
waarheid 'beluste' lezer. De filosofische
geschoolde, dus kritische lezer van Bataille's
werk bekruipt bij het lezen namelijk vaak een
onbehagelijk gevoel. Soms is er zelfs sprake van
een uitgesproken weerzin. Deze wordt deels
opgeroepen door zijn 'hortende' schrijfwijze,
deels inhoudelijk versterkt door de ambivalente
houding die Bataille ten aanzien van het geweld
inneemt. Zijn 'kritiek' op het fascisme
bijvoorbeeld steunt op zo'n afwijkend
begrippenkader dat hij voor sommige kritici eerder
een fervent aanhanger dan een verklaard
tegenstander en kriticus van het fascisme is.
Milder gestemde kritici zien in hem een apolitieke
zonderling. Toch meen ik dat deze ontreddering
door iets anders wordt veroorzaakt. Het is meer de
ogenschijnlijke willekeur waarmee Bataille met
zijn wetenschappelijke materiaal omgaat en hoe hij
door een merkwaardige retoriek en met behulp van
ambigue metaforen fictie en werkelijkheid door
elkaar mengt. Evenals de kunstenaar lijkt hij zijn
waarachtigheid eerder aan zijn beeldende
zeggingskracht dan aan een argumentatieve
overtuigingskracht te ontlenen. Hij beschrijft
niet zozeer een bestaande werkelijkheid, maar
schrijft een nieuwe over bestaande interpretaties
heen zodat, juist doordat zijn weergave heel dicht
tegen de reeds gegevene aanzit, de laatste van
zijn vanzelfsprekendheid wordt ontdaan. Bataille
trekt zo de consequentie uit Nietzsche's
overweging dat de waarheid niets anders is dan een
mobiel leger van metaforen, waarvan we door
eeuwenlange omgang het schijnkarakter zijn
vergeten. De nietzscheaanse inspiratie die bij hem
doorwerkt, zet hem niet alleen aan gevestigde
waarheden te vernietigen, maar dwingt hem er
tevens toe om de vraag naar de door hem als nieuwe
'waarheid' naar voren gebrachte inzichten in zijn
fragmenterende stijl op het spel te zetten. Bij
hem verschijnt op indirekte wijze de
nietzscheaanse vraag naar de waarde van de
waarheid. Zonder een definitief antwoord te geven
speelt Bataille evenals zijn avantgardistische
vrienden met de verleiding tot 'waarheid' door de
affectieve geladenheid van zijn beelden. Een
voorbeeld volstaat. In 1931 publiceert hij zijn
eerste grote essay: L'anus solaire (de
zonneanus) dat door Masson wordt geïllustreerd. De
titel verraadt reeds zijn filosofische project om
geijkte denkkaders over het hogere en het lagere
door een spanningsvolle, paradoxale verbinding te
ontregelen: niet alleen ruimtelijk, maar ook
gevoelsmatig liggen anus en zon als metafoor voor
het verlichte bewustzijn of god nogal ver uit
elkaar. Zo probeert Bataille vanuit een paradoxale
tweeeenheid waarin duivel en god samenkomen, zowel
iets over onze geweldscultuur te zeggen als
metafysische opposities te parodiëren: deze keert
hij zo om dat ze tenslotte in een verontrustende
ervaring die daarvan het gevolg kan zijn, worden
vernietigd. De lezer ervaart in zijn tegendraadse
metaforiek een groeiende spanning en ondergaat al
lezend het ontwrichtende geweld van de parodie en
de negatie, zodra hij Bataille's beschrijvingen
als een nieuwe theoretische waarheid opvat.
Evenals de avantgarde die de gezapige burgerman
verontrust, prikkelt Bataille de op waarheid en
begrip gerichte wetenschapper. Hij voltrekt
zodoende een avantgardistische schrijfpraktijk
waardoor zijn geschriften over
kunstpraktijken tegelijkertijd de realisering
ervan zijn. Anders gesteld: zijn onderzoeksobject
wordt bij de lezer in ervaring gebracht waardoor
diens veilige subjectpositie wordt vernietigd.
Daarom zijn Bataille's teksten niet louter een
praatje bij een plaatje, wat overigens niet
wegneemt dat dat filosofie en kunst door de
specificiteit van hun medium gescheiden blijven.
Bataille's onderneming leidt minstens tot de
volgende overdenking: als de filosofie zich iets
aan de kunst gelegen laat liggen en als het idee
van een esthetische dimensie in de filosofie
bestaansrecht heeft, dan betekent dit voor een
bepaald soort filosoferen een radicale keuze. Het
zal de relatie tussen bewijs en argumentatie
enerzijds en retoriek en metaforiek anderzijds
moeten herzien. Dit betekent niet dat de grens
tussen literatuur en filosofie wordt opgeheven,
wel dat er een onbeslisbaar tussengebied ontstaat.
Bataille, de radicale Hegelkriticus, ziet de
filosofie niet meer als de grote verzoener, als de
begrippelijke opheffer van de tegenstellingen. Hij
situeert haar veeleer in de onoplosbare spanning
die veroorzaakt wordt door de noodzaak te
overdenken zonder te overstijgen. Evenals de kunst
en misschien evenals de erotiek is filosofie voor
hem slechts één van de manieren om met de dingen
om te gaan. Desalniettemin is het voor hem toch
een historisch bevoorrechte houding, zelfs
levensstijl. Nu eens richt deze zich op een
systematische opschorting van gevestigde, dan weer
op een naarstige zoektocht naar nieuwe waarheden.
De esthetisering van de filosofie brengt haar,
gegeven de aard van haar medium, in de nabijheid
van literatuur. Precies deze benadering heeft
Bataille in zijn werk onophoudelijk nagestreefd
zonder een beslissing te forceren. Of zoals hij
het verwoordt in de beginselverklaring van het
mede door hem na de Tweede Wereldoorlog opgerichte
blad Critique:
"we moeten ophouden het
menselijke bewustzijn in hokjes te verdelen. Critique
zoekt de verbindingen die er mogelijk zijn tussen
de politieke economie en de literatuur, tussen de
filosofie en de politiek".
Hij had er zonder einige terughoudendheid aan
kunnen toevoegen: tussen filosofie en kunst.
|