DE MYTHE VAN DE MODERNITEIT GETOETSTDeleuze en de Dogon
Deze lezing komt voort uit een langdurige fascinatie. Een titel en een plaatje, waar ik in de loop der jaren telkens weer op ben gestoten. Het staat in een boek van de filosoof Gilles Deleuze en lacaniaans georiënteerde psychiater Felix Guattari: het in 1980 uitgekomen Mille Plateaux, dat deel twee vormt van een studie met de titel Schizofrenie et Capitalisme. De titel van het artikel luidt: 28 november 1947 Hoe een lichaam zonder organen te maken? En onder deze merkwaardige titel staat het volgende plaatje: (blad 1) met het onderschrift: Het dogon ei en de verdeling van intensiteiten Een uiterst intrigerende, maar enigszins ondoorzichtige combinatie. Ik lees u de eerste alinea voor om u een indruk te geven van de filosofische ontreddering die mij bij de eerste lezing ten deel is gevallen:
"In ieder geval heeft u er een (of meer), niet inzoverre het al van te voren bestaat of kant en klaar gegeven is ofschoon het in een zeker opzicht al van te voren bestaat maar in ieder geval maakt u er een, u kunt niet verlangen zonder er een te maken en het wacht op u, het is een oefening, een onvermijdelijk experiment, reeds voltrokken op het moment, waarop u het onderneemt, niet voltrokken zolang u het niet onderneemt. Het is niet geruststellend omdat u erin kunt falen. Ofwel, het kan afschrikwekkend zijn, u de dood in drijven. Het is zowel nietverlangen als verlangen. Het is helemaal geen notie, geen concept, eerder een manier van doen, een geheel van handelen. Het Lichaam zonder Organen, men bereikt het niet, men kan het niet bereiken, men is er nooit in geslaagd toegang toe te krijgen. Het is een limiet. Men zegt: wat is dat het LzO maar men bevindt zich er al op, zich voortslepend als ongedierte, aarzelend als een blinde, of rennend als een dwaas, reiziger van de woestijn en nomade van de steppe."(185/6) 1. Nieuwe lichaamsnotie
De titel, zo blijkt even verderop is ontleend aan een radioexperiment van de franse schrijver/acteur Antonin Artaud, waarin deze voor de wetenschap als 'gek' gekwalificeerde theaterinnovator, de oorlog aan de organen verklaart. Filosofischer gesteld: de wijze waarop in de westerse, moderne wereld het lichaam ervaren en geobjectiveerd wordt, aan een radicale kritiek blootstelt. Dan volgen er allerlei beschrijvingen van lichaamservaringen van vermeende psychisch gestoorde individuen: van de schizofreen via de verslaafde tot de masochist. Hierbij wordt echter niet zozeer de pathologische identiteit alswel de ondefinieerbare intensiteit van het lichaam benadrukt. De schrijvers zijn blijkbaar niet geinteresseerd in het morele oordeel van de burger, noch in het wetenschappelijk oordeel van de psychiaters. Veeleer richten zij hun aandacht op het lichaam als krachtenveld, als een veld van intensiteiten dat vanuit zijn eigen werkzaamheid beschreven kan worden. Het lichaam wordt als machine, als een zichzelf voedend en funderend proces opgevat. De vermeende samenhang gaat onder in een chaotisch vloeien, een elkaar versterkend en opheffende strijd tussen affecten. Alles draait blijkbaar om een lichaamsopvatting die niet in overeenstemming is met de westerse lichaamsnotie. Op de een of andere we zullen zien zeer vreemde wijze trachten Deleuze en Guattari de relatie tussen het Ik en het lichaam zo kort te sluiten, dat de subjectobject determinatie verdwijnt. Maar dit alles zou weinig relevant zijn voor ons colloquim als het artikel niet zou beginnen met die tekening. Blijkbaar heeft de mythologie van de Dogon iets te maken met en nieuwe lichaamsnotie. Bij verdere lezing blijkt het dogonmythe een plaats te krijgen in een bonte verzameling werken, waarin naast Spinoza's Ethica Castaneda's Lessen van Don Juan, de Tao Teh King en de Japanse Pillowbooks voorkomen. Sporadisch zijn er verwijzingen naar het dogonei: "Het LzO is een ei." Er wordt over de Dogontweeling, de Nommo, gesproken in de context van een andere verklaring van het verlangen. De oorsprongsmythe van de Dogon wordt naast de westerse psychiatrie gesteld. Dus niet als elkaar uitsluitende betekenisstructuren. Op de een of andere manier is er volgens de schrijvers een verband tussen wetenschap en mythe, tussen embryologie en mythologie, tussen het biologische ei en het psychische of kosmische ei een verband:
Het ei, stellen ze, duidt altijd een intensieve realiteit aan,
niet ongedifferentieerd, maar waar de organen zich uniek
onderscheiden door de graden, migraties, zones van nabijheid."
(202)
Deel één van Schizophrénie et Capitalisme bevestigt het vermoeden dat er een poging wordt gedaan vanuit de relatie tussen wetenschap en mythe een andere versie te ontwikkelen van enerzijds de Ikwij relatie, anderzijds Iklichaamrelatie. De titel verwijst daar al naar: L'Antioedipe. De mythe Oedipus wordt bekritiseerd. Maar daarmee tegelijkertijd de wetenschap die zich van deze mythe bedient: de psychiatrie, met name de psychoanalyse. Kortom, Schizophrénie et Capitalisme presenteert zich als een radicale kritiek op zowel het denken van Marx (vandaar 'Kapitalisme') als op dat van Freud (vandaar 'Schizofrenie') en indirekt op al diegenen die in de 60er jaren getracht hebben een synthese tussen beide denkers tot stand te brengen (ik denk hier bijvoorbeeld aan de humanistische psychologie van Erich Fromm en en de cultuurkritiek van Herbert Marcuse).
Uitgaande van deze kritiek zou ik de vraag naar de functie van de mythe in het westerse denken op willen werpen. De beantwoording van deze vraag staat ons wellicht toe iets te zeggen over de functie van de Afrikaanse mythes zoals die van de Dogon binnen het westerse vertoog. We moeten echter beseffen dat het hier om een locale terreinverkenning gaat. Hier en daar kunnen kunnen slechts op tentatieve wijze verbanden met bestaande discussies worden gelegd. Op de achtergrond speelt wellicht een aspect van de vraag mee, die dit colloquim in gang heeft gezet: op wat voor manier kan de westerse filosofie toegang krijgen tot Afrikaanse denkvormen zonder dat deze volledig door haar worden ingekapseld? Want dit laatste bleek tot voor kort naast een volledige ontkenning van het Afrikaanse denken de enige mogelijkheid. Dat er een kloof tussen het Afrikaanse denken en het westerse gaapt, mag duidelijk zijn. Eén van de oorzaken hiervan is waarschijnlijk Hegels geschiedsfilosfie geweest. In Die Vernunft in der Geschichte stelt hij namelijk dat in het gedeelte ten zuiden van de Sahara "eigenlijk geen geschiedenis plaats kan vinden.(...) Er is daar geen doel, geen staat, waar men zich op kan richten, geen subjectiviteiten, slechts subjecten die zich ontregelen." (216/7) Onmogelijke subjecten dus. Maar Hegel laat het hier niet bij. Even verder velt hij het eindoordeel over Afrika: "Deze toestand is niet tot ontwikkeling of vorming in staat (...) Het heeft eigenlijk geen geschiedenis. (...) Het is geen historisch werelddeel"(234). Inmiddels is Hegels denken door de tijd of beter: door de zogenaamde vormende activiteiten van het kolonialisme en het imperialisme achterhaald. En hopelijk is de ontwikkelingshulp in zijn paternalistische vorm een laatste veruitwendiging van zijn te absolute geest geweest. Deze emanciperende bedrijvigheid heeft westerlingen echter tevens doen inzien dat hun idee van ontwikkeling niet alleen vernietigend is voor andere culturen, maar juist door zijn excessieve karakter hun eigen cultuur bedreigt. De wijze waarop het westen met tijd en ruimte, met zichzelf, de medemens en de natuur omgaat, blijkt de grenzen van het mogelijke te overschrijden. Welnu, tegen de achtergrond van deze kritiek dient het werk van Deleuze en Guattari gelezen te worden. 2. Antioedipe: ik, wij en het lichaam
Het is een nagenoeg onmogelijke taak om de inhoud van hun uiterst complexe boek kort weer te geven. Het is zo geschreven, dat het zich meer als leeservaring dan als samenhangend betoog aandient. Maar laat ik de advokaat van de duivel spelen. De titel maakt al duidelijk dat wij midden in een mythe terecht komen. De mythe van Oedipus, die in weerwil van zijn eigen goede bedoeling als gewraakte vadermoordenaar en incestpleger in de netten van het noodlot verstrikt raakte. In L'AntiOedipe wordt ons verlangen onder een tweetal invalshoeken bekritiseerd. Enerzijds de wijze waarop het individuele verlangen in het gezin gevormd wordt. Anderzijds de wijze waarop het collectieve verlangen, met andere woorden de economische en sociale behoeftes geproduceerd worden. In het eerste geval is Freuds psychoanalyse en met name de wijze waarop hier onder het mythische beeld van Oedipus onze relaties met andere mensen, in eerste instantie familieleden, betekenis krijgen. In het laatste geval gaat het om Marx' analyse van de productieverhoudingen. De sociale verlangens worden door Freud vanuit de individuele lusthuishouding verklaard terwijl Marx ervan beticht wordt juist een tegengestelde denkbeweging te eenzijdig uit te voeren: de reductie van de individuele leven op het sociale, of exacter: op de productieverhoudingen. Maar hoeveel tegenstellingen er tussen beide 19e eeuwers ontdekt kunnen worden, in een ding stemmen hun reducties overeen: zij hanteren de scheiding tussen het gezin en de maatschappij als gemeenschappelijke vooronderstelling. 'De heilige familie` van Marx is het oedipaal bepaalde burgermansgezin van Freud. Wat willen Deleuze en Guattari nu aantonen? Allereerst dat individuele en sociale verlangens zich zonder bemiddeling van het gezin zich voortdurend op elkaar enten. Individuele verlangens zijn altijd al groepsverlangens, waarin het fantasma een constituerende rol vervult. Vanuit de Saussuriaanse tekentheorie bezien vervult dit fantasma de rol van een betkenaar, die slechts een ontologisch fundament suggereert, maar haar in werkleijkheid ontbeert. Voor de betekenaar bestaat geen exclusieve betekenis. Dit impliceert dat Freuds analyse van ons verlangen als oedipaal verlangen slechts een van de vele mogelijke betekeningen is. Het verlangen kan door de theatrale voorstellingswijze van Freud wel betekend, echter nooit als ontologisch fundament verklaard worden. Het onbewuste is geen theater, maar een fabriek, dat niet vanuit de reeds voorgekookte categorieën van de psychoanalyse begrepen kan worden. Het Onbewuste heeft een autonome werking die ieder fantasme, iedere betekenisgeving ontkracht. Dat dit in het dagelijks leven ook inderdaad gebeurt, blijkt wel uit de enorme aantallen individuen die 'afwijkend' zijn: de perverten, sadisten, masochisten, de hysterici, de schizo's en de paranoia. Er zijn er nog veel meer te noemen. Daarnaast tonen zij aan dat ons verlangen evenmin vanuit belangen te begrijpen is. De pogingen die Marx heeft ondernomen om het verlangen van een historisch subject het proletariaat in termen van belangen opheffing van de onvrijheid, realisering van een machtsvrije samenleving te duiden, steken schril af tegen enerzijds de concrete resultaten van de bestaande `dictaturen van het proletariaat' anderzijds tegen de vanuit zijn theorie volkomen onverklaarbare fascinatie van de massa's voor bijvoorbeeld het fascisme. Misleiding, ideologie, vals bewustzijn en vervreemding zijn de theoretische instrumenten geweest waarmee neomarxisten dit voor hun onbegrijpelijke verschijnsel hebben trachten te verklaren. Wilhelm Reich een van de wetenschappers die Freud en Marx heeft willen integreren heeft echter als een van de eersten gesteld dat het fascisme wel degelijk de uitdrukking van het verlangen van de massa's was. Hetgeen hem overigens niet in dank is afgenomen. Zijn analyse van de zelfervaring van de westerse mens stelde evenals Freud krachten centraal die de mens slechts ten dele kon beheersen en begrijpen. Freud heeft dit ook gedaan, maar hij heeft hen met name via de fantasma's en mythe van Oedipus getracht in te dammen. In navolging van Reich stellen Deleuze en Guattari dat het Ik eerder dan een samenhangende innerlijkheid een veelheid van intensiteiten is, die niet door het gebrek maar door de overvloed wordt bepaald. Een veelheid die zichzelf voortdurend als veelheid wil bekrachtigen, waarin intensiteiten in elkaar overgaan en zich aan steeds weer andere objecten in de wereld vastzetten. Deze lustbezettingen kunnen niet tot het gezin beperkt worden en staan in tegenstelling tot wat Freud beweert direkt in verband met het sociale en de geschiedenis. 3. Het lichaam
4. De Dogonmythe
Bij de Dogon beheerst de mythologie met haar symbolen de hele samenleving. Zij bepaalt zowel de individuele als de sociale gebeurtenissen. Tijd en ruimte worden met een veelheid van tekens ingedeeld. In het kort komt deze mythe op het volgende neer. Amma. God schept de zon en de maan in de vorm van potten. De zon is omringd door 8 ringen rood koper, de maan door geel koper. Hompen rondgeslingerd klei vormen de sterren, waaronder Sirius een speciale plaats in neemt: zijn eclips (60 jaar) bepaalt de tijdsindeling. De aarde kneedt Amma van klei en speeksel. Als Amma zich met de vrouwelijke aarde wil verenigen wordt hem de weg door en termietenheuvel versperd. Pas nadat deze is weggeruimd kan gemeenschap plaats vinden: het wegsnijden van clitoris gaat hier op terug. Dit vormt echter een inbreuk op de universele orde, waardoor in plaats van de verwachte tweeling aan de jakhals of de vos het leven wordt geschonken. Deze vos zal Amma veel last bezorgen. Een tweede poging resulteert alsnog in de geboorte van de tweeling, de Nommo, tweeslachtige wezens, half mens, half slang, groen en glad als water met 8 sinusachtige ledematen. Eenmaal terug in de hemel bij hun vader zien ze hun moeder naakt en verscheurd onder hen liggen. Over haar spreiden ze een van garen geweven jurk uit, die rood kleurt van het bloed. Met deze jurk schenken ze de aarde de eerste taal van de geesten. Techniek en taal vormen een geheel. De vos steelt de jurk en daarmee verkrijgt hij via de taal macht over de aarde. Hij bevrucht zijn moeder. Amma ziet na deze schanddaad van ieder contact met haar af en schept zelf de 8 voorouders van de mens, die door de Nommo tot tweeslachtige wezens worden omgevormd. Zij worden ook in de hemel opgenomen. Het 7e paar moet echter naar de aarde terugkeren om de mensen het tweede woord en een tweede techniek te schenken: het weven. Door een inbreuk op de hemelse orde moeten later alle voorouders de hemel verlaten. Zij mogen echter allen iets nuttigs meenemen. Zo komen gebruiksvoorwerpen op aarde. Bovendien k nnen zij hun hemelse kennis van technieken aanwenden. De derde taal, de huidige Dogontaal, wordt nu aan de nazaten geschonken. En met haar de smeedtechniek, die door een van de voorouders uit de hemelse smidse is gestolen. Op zijn vlucht, achtervolgd door de Nommo, glijdt hij via de regenboog naar de aarde. Door zijn snelheid breekt hij al zijn ledematen die vanaf dat moment de menselijke vormen aannemen. De sterfelijkheid van de mens wordt door de volgende gebeurtenis veroorzaakt: als een oude vrouw op een dag de rode jurk van de Nommo vindt, krijgt ze een macht over de mensen. Jaloerse mannen doden haar later zonder het de oudste man te vertellen. Deze inbreuk op de orde komt aan het licht als de man, eenmaal gestorven en de gedaante van een slang aangenomen, hen in deze jurk ziet. In zijn woede spreekt hij ze met de 3e taal aan. Deze mag echter niet door geesten gesproken worden. Zijn overtreding maakt een terugkeer naar de hemel onmogelijk, en hij kan evenmin onder de mensen leven. Op dat moment zijn zijn nazaten sterfelijk geworden. 5. Dogonei als tekentheorie
at the beginning of Le renard pale Marcel Griaule and
Germaine Dieterlen sketch out a splendid theory of sign: the
signs of filiation, guide signs and mastersigns, sings of
desire, intensive at first, which fall in a spiral and traverse
a series of explosions before extending into images, figures and
drawings"(154).
Voor alles is het voor hen "a splendid theory of signs". In die zin is voor hen de Dogonmythe gelijkwaardig aan de Oedipusmythe. Ze structureert zowel het individuele als het sociale lichaam. En inderdaad, Griaule en Dieterlen benadrukken de waarde van het teken binnen de Dogoncultuur. Het teken schenkt leven. Het zijn geenszins arbitraire toevoegingen aan het leven, maar zij vormen er de vitale kern van. We hebben dit reeds in de oorsprongsmythe ten aanzien van het woord gezien. Het woord als uitdrukking van het teken is bepalend voor de beslissende gebeurtenissen in de Dogongemeenschap. Het Dogonei is eigenlijk de totale schepping in een notedop. Daaruit emaneert de schepping. Het is een veld van intensiteiten met een dynamisch emanatieprincipe dat de gehele wereld reeds in zich draagt. In het ei zien we series punten, 266 in totaal. Alle tekens zullen later een specifieke vorm aannmenen. Uit de vier elementen lucht, water, aarde en vuur waarin de zogenaamde 'sleutelbeenderen' van Amma zitten (blad 2), die tot de Nommo worden, volgt via het dynamische principe van de universele vibratie dit tweede ei, de yala, dat we bij Deleuze en Guattari tegenkomen. Voordat de tekens zich via een viertal series abstracte tekens, merktekens of beelden, figuren of schema's en tenslotte ontwerpen of feitelijke dingen tot de concrete dingen van de wereld emaneren waarin het vrouwelijke en mannelijke uit elkaar vallen sociaal uitgedrukt in de initiatieriten: besnijdenis en wegsnijden van clitoris als het uitwerpen van respectievelijk het vrouwelijk en het mannelijke deel , zijn het nog slechts intensiteiten, die het gehele lichaam van de schepping doorkruisen. Het totaal van de tekens is Amma. De hele scheppingsmythe schrijft zich vervolgens in het maatschappelijke veld in, waar het individu zich direkt, dat wil zeggen niet bemiddeld door het gezin, op aansluit. Dit houdt een letterlijke, wrede betekening van het lichaam in: wegsnijden uit en insnijden op het lichaam. Ook worden het grondplan voor huizen en dorpen, een vaste tijscyclus, gebonden aan de begrafenisriten en de doden, aan de tekens ontleend. De geforceerde scheiding tussen het individuele en het sociale zijn hier niet aanwezig. Alle uitdrukkingen van de werkelijkheid, door ruimte en tijd, in welk lichaam dan ook, dierlijk, menselijk, maatschappelijk vindt zijn laatste betekenis in dit dogonei, dat Amma is. Zelfs de taal is door deze intensiteiten bezet: ze heeft een materiële uitwerking op de dingen. 6. Wetenschap en mythe
The radical dichotomy between the rational and the mythopeic is
misleading, since philosophical thought, from presocratics to
present times, is informed in no small measure by mythical
elements. Not only have thinkers like Plato and Marx used forms
of expression that properly belong to myth but, too,
philosophers and philosophy as such can't proceed without in
some measure having recourse to these forms of
expression"(Quest, 12).
Ik zou hier willen beweren dat, ondanks het feit dat wij denken de mythe geheel uit onze wereldbeschouwing gebannen te hebben, dezelfde discussie zich reeds enige tijd bij ons afspeelt. Deze discussie is ingezet in De dialectiek van de verlichting van Adorno en Horkheimer, waarin het rationele vertoog van de moderne westerse filosofie, het vertoog van de verlichting en het autonome subject, als nieuwe mythe ontmaskerd wordt. De filosofie denkt dat zij zich in de loop van de laatste 3 eeuwen van de kluisters van de laatste mythes of een aan haar uiterlijk opgelegde autoriteit de religie ontworsteld heeft: "De mythe gaat in de verlichting over en de natuur in louter objectiviteit." (23) En zo laten zich" de vele mythische figuren volgens de verlichting alle onder dezelfde noemer brengen: ze worden teruggevoerd op het subject." (20) Maar , zo menen Adorno en Horkheimer, het subject zelf blijkt de grote mythe van de moderniteit: "Zoals in de mythe al verlichting ligt besloten, zo raakt de verlichting met elk van de stappen die zij zet verder in de mythologie verstrikt." Tenslotte heeft ook de burgerlijke rationaliteit geen weerstand kunnen bieden aan een mythe die als een van de perverse uitwassen van haar eigen angst voor iedere autoriteit de 20e eeuw bestookt heeft: het fascisme. Daar heeft de mythe niet alleen als rechtvaardiging van racisme, totalitarianisme en volkerenmoord gediend. Het heeft tevens nieuwe betkenissen verleend aan een verscheurde gemeenschap diue ieder gevoel van solidariteit en elke oriëntatie op de geschiedenis verloren had. De functies en de werking van de mythe blijkt in het 20e eeuwse westen nog mogelijk. 7. Functie van de mythe |